Misschien ken je mijn naam. Misschien ook niet. Ik ben Baba Yaga.
Of nee… dat is niet helemaal waar. Ik ben een Baba Yaga. Er waren er drie, wist je dat? Volgens de verhalen waren we drie zussen, met dezelfde naam, ieder dieper en dieper het bos in, en iedere held die naar ons op zoek ging kwam ons stuk voor stuk tegen, als kamers in een huis die je niet meer uit kunt. Drie is een handig getal voor een verhaal. Het is spannender dan één vrouw die te veel wist.

Maar waar zijn mijn manieren? Ik begin meteen te ratelen.
Ga zitten.
Nee, niet op die stoel, die heeft tanden.
Grapje. Of niet. Maar ga toch maar op de andere zitten.

Ik wil je iets laten zien voordat we beginnen. Niet het huis op kippenpoten – daar kom ik nog op, en geloof me, ik heb zelf zo nu en dan hardop gelachen om dat beeld – maar dit: een boek, een sleutel om mijn nek, en een sleutelgat waarachter alle kennis zit. Zo wil ik dat je me vanavond leert kennen. Niet als de oude, enge vrouw met de ijzeren tanden die kinderen opeet. Die versie over mij gaat rond, dat zal ik niet ontkennen. Maar ze bestaat niet. Ze is een deel van me, of beter gezegd: een masker dat over me heen is gelegd, zo lang geleden en zo vaak dat de meesten het masker voor mijn ware gezicht zijn gaan aanzien.

Dat beeld is niet uit de lucht komen vallen.
Ik duik op in de oude verhalen van de Slavische volkeren, opgetekend door mannen met potloden in de negentiende eeuw die dachten dat ze mij vonden, terwijl ik er al was voordat er iemand was om mij te vinden. Mijn naam is een samenvoeging. Baba, een oud woord voor oude vrouw of grootmoeder. En jaga, een woord waarvan niemand de betekenis meer precies weet, maar dat mensen graag koppelen aan woorden voor afschuw, ziekte, wildheid en pijn. Maar vraag een taalkundige waar mijn naam vandaan komt, en hij geeft je zes antwoorden en gelooft ze alle zes een beetje. Vind je dat niet veelzeggend? Een naam die zoveel betekenissen tegelijk kan dragen, is meestal een naam die is opgeplakt door mensen die niet meer wisten – of niet meer wílden weten – wat ik oorspronkelijk was.

In deze verhalen woon ik alleen, diep in het woud, in een hut die op kippenpoten staat en ronddraait als een dwaas hondje achter zijn eigen staart. Er is een hek van botten om mijn erf, met schedels erop die ’s nachts oplichten. En het sleutelgat van mijn voordeur – let op, dit vind ik zelf nog altijd het mooiste detail – is een mond vol scherpe tanden.

Er komt een meisje naar me toe in een van de bekendste verhalen. Vasilisa heet ze. Ze is gestuurd door een boze stiefmoeder, met de bedoeling dat ik haar zou opeten, om van haar af te zijn. Vasilisa komt bij me met een simpel verzoek – vuur, ze heeft vuur nodig – en ik geef het haar niet voor niets. Ik geef haar taken. Onmogelijke taken. Het huis schoonmaken, het koren van het kaf scheiden, mijn voorraadkast op orde brengen, en dat alles voor de ochtend. En weet je wat het gekke is? Ik weet dat ze het niet in haar eentje kan. Dat is het punt niet. Het punt is wat ze meeneemt, wie haar helpt, en of ze het overleeft met haar ziel nog heel.

De geleerden die zulke verhalen hebben bestudeerd, noemen mijn functie een “schenkersrol”. Ik ben er niet om de held tegen te houden, ik ben er om iets te geven. Vaak tegen mijn zin in, zeggen ze, alsof ik chagrijnig ben over mijn eigen vrijgevigheid. Misschien is dat ook zo. Geef mij eens ongelijk. Het is knap vermoeiend, al die eeuwen, om steeds weer degene te zijn die de deur openhoudt naar wat een mens nodig heeft, terwijl ik word weggezet als de deur die je juist dicht moet houden.
Want dat is de kern van hoe men mij heeft opgeschreven. Soms help ik, soms verslind ik, en welke van de twee het wordt, hangt zogenaamd af van het toeval, van hoe beleefd je bent, van hoe zuiver je hart is. Nooit ambigue was ik gewoon niet. Ik was, zeggen ze, “moreel dubbelzinnig”. Geen zuivere schurk, geen zuivere fee-godin. Maar ik was nooit dubbelzinnig. Ik was voorwaardelijk. Er is een verschil.

Dus ja, dit is het verhaal zoals het is opgeschreven. Of het waar is? Dat mag je aan het einde van mijn verhaal beslissen. Maar voor het zover is, wil ik je meenemen naar wat eronder ligt.

Er is een theorie – en let op het woord theorie, ik ga hier niet met mijn vinger wijzen, want dit is geen aanklacht, dit is een verzameling sporen die je zelf mag volgen – dat ik afstam van een veel oudere Slavische godin. Een godin van de dood, ja, maar bij ons, in de oude wereld, kwam de dood zelden zonder wedergeboorte. Ik was de scharnier tussen de wereld van de levenden en die van de onderwereld. Dus niet het einde, maar de deur.
Denk daar straks even over na, want het is grappig als je het doorziet.

Aangezien ik afstamde van een godin had ik een tempel nodig, met een drempel. De drempel is een plek waar je moest stilstaan, jezelf moest voorbereiden, voor je verder mocht. Dat idee is niet verzonnen. Dat is zo oud als de eerste keer dat een mens iets heiligs met ontzag behandelde in plaats van met achteloosheid. Wat wel verzonnen is, is het kostuum dat eromheen is gebouwd. Een drempel kan een gordijn zijn, een zuilenrij, een moment van stilte voor een altaar. Bij mij werd het een mond vol scherpe tanden en een hek van botten met oplichtende schedels. Niet omdat dat nodig was om de grens te markeren – een eenvoudig hek van hout had prima gewerkt – maar omdat een drempel die je angst aanjaagt mensen beter op afstand houdt dan een drempel die uitnodigt.
De grens bij mijn huis is echt. De tanden zijn verzonnen.

En dan het huis zelf, het huis op kippenpoten. Kom, laten we het er nu toch al over hebben, want ik zie je al giechelen. Een huis dat loopt. Een huis dat draait als je het met de juiste woorden toespreekt. Keer je rug naar het bos, je voorkant naar mij. Volslagen onzin, natuurlijk, als je het letterlijk neemt. Een huis met poten! Wie verzint zoiets? Nou, ik zal je vertellen wie: mensen die willen dat je vergeet dat kennis zich verplaatst. Dat wijsheid niet stilstaat op een sokkel waar je hem netjes kunt bezoeken tijdens kantooruren. Kennis draait weg van wie er niet klaar voor is, en draait zich juist naar je toe zodra je de juiste vraag durft te stellen. Dat is alles. Maar “kennis is beweeglijk en ontwijkt de onvoorbereide” is een lastige zin voor een sprookje dat je aan het vuur vertelt, vooral als je de waarheid verdraait. Ze vertelden mijn verhaal vervormd, met als doel om een kind bang te maken zodat het niet te ver het bos in loopt. Een huis met kippenpoten dat je opeet, werkt beter voor dat doel. Sneller. Griezeliger. Vergeet je nooit meer.

En de skeletten. Ach, de skeletten. Natuurlijk gebruiken ze je angst voor de dood. Wat had je dan verwacht? Er is geen effectiever slot op een deur dan de angst voor de dood. Zet een heleboel schedels op een palen en negenennegentig van de honderd mensen draaien om zonder verder te vragen wat er achter die deur zou kunnen liggen. Dat is niet mijn wreedheid. Dat is jullie relatie met sterfelijkheid, uitgebuit door wie er belang bij had dat je nooit doorliep naar mijn huis, waar alle kennis is opgeslagen.

Er is, zoals je merkt, veel over mij geschreven. Laten we het daarom eens hebben over demonisering. In het verleden is er een gerichte, systematische beweging geweest om vrouwen zoals ik te vernederen, klein te maken en hun sociale betekenis te ontmantelen. Dat gebeurde met ontelbaar veel figuren, zoals godinnen die met kennis, de aarde, geboorte, dood of creativiteit werden geassocieerd. Dat was niet toevallig. Het was geen bijproduct van de tijdgeest. Het was gericht. Er waren vrouwen die kennis van kruiden, van geboorte en van het lichaam droegen, en die met exact hetzelfde procedé werden herschreven tot heks. Weet je wat grappig is? Het woord voor wijze vrouw in sommige oude talen ligt taalkundig vlak naast het woord dat wij nu gebruiken voor heks. Het is dezelfde vrouw, maar dan in een andere tijd en met een ander etiket. De kennis bleef, de drager kreeg alleen een nieuw gezicht opgeplakt.

Dat gebeurde niet alleen met vrouwen zoals ik uit de dorpsverhalen. Het gebeurde ook met godinnen op sokkels. Hun beelden werden onthoofd. Hun tempels werden overschreven met nieuwe verhalen en nieuwe namen. Mensen bouwden zelden een tempel op een plek die geen kracht had, ze bouwden liever over de oude kracht heen en gaven het een nieuw etiket. Er groeide, naast eeuwenlange verering, ook een gestage vernietiging. Beeldenstormen. Herschreven mythologieën waarin de godin eerst het middelpunt was, maar waarin ze langzaam verschoof naar de zijlijn. Ze waren eerst een medespeler, daarna een bijfiguur. Tot ze nog meer gingen herschrijven. We werden een gevaar of iets om te lachen. En voor wie echt pech had, lag vergetelheid in het verschiet.

Vergeten is de laatste stap, en de meest gemene. Het is bijna erger dan gedemoniseerd worden. Je bestaat niet meer in het collectieve geheugen, behalve soms als karikatuur. Ik ben er nog relatief goed vanaf gekomen. Ik ben tenminste blijven hangen, al is het als de oude vrouw die kinderen opeet. Sommige van mijn zusters uit andere landstreken zijn zo grondig herschreven dat er van het origineel bijna niets meer over is. Ze zijn verworden tot een naam in een voetnoot. Een half beeld in een museumkelder. Een woord dat nu “ouderwets” of “bijgeloof” betekent, maar dat ooit “zij die weet” betekende.

Ik zeg dit niet om je te laten walgen van wie dit gedaan heeft. Ik weet niet eens zeker of er één “wie” is. Het lijkt meer op een langzame stroom, generatie na generatie, waarin iedere verteller een klein beetje bijschaafde, een klein beetje harder maakte, een klein beetje meer griezel toevoegde, tot de vrouw die ooit een drempel bewaakte een monster werd dat je bang moest maken zodat je thuis bleef. Niemand hoeft hiervoor apart terecht te staan. Het is gebeurd zoals rivieren een landschap vormen.

Toch zit ik al eeuwen met een vraag. Waarom eigenlijk?
Waar sta ik nou eigenlijk écht voor, en waarom moest jij daar bang voor worden gemaakt?
Ik denk dat het antwoord iets te maken heeft met wat ik bewaak. Kennis die zich niet laat institutionaliseren. Kennis die niet in een gebouw met zuilen past, niet met een diploma bekroond wordt en niet netjes wordt doorgegeven van generatie op generatie binnen een orde die precies bijhoudt wie wat mag weten.
Ik kan je wel een tipje van de sluier geven van wat je mijn huis kan vinden, nu je hier toch bent. Mijn soort kennis zit in kruiden die je zelf moet leren herkennen. In de cyclus van je eigen lichaam. In het besef dat geboorte en dood buren zijn, geen vijanden. In het simpele feit dat een oude vrouw die alleen woont, zonder man, zonder toestemming van wie dan ook, toch macht kan hebben – en dat die macht van niemand geleend is.

Dat soort kennis is ongemakkelijk voor elke structuur die orde wil houden via hiërarchie. En dat is precies wat er gebeurde in de tijd dat wij herschreven en gedemoniseerd werden. Niet alleen wij, maar alle vrouwen werden steeds kleiner gemaakt. Wij stonden symbool voor deze vrouwen. Niet omdat onze kennis zelf gevaarlijk is – kruiden zijn geen wapens, een vroedvrouw is geen leger – maar omdat de kennis ontoegankelijk is voor controle. Je kunt een tempel belasten. Je kunt een universiteit reguleren. Je kunt geen oude vrouw in het bos reguleren die haar wijsheid van haar moeder kreeg en die aan wie ze zelf wil doorgeeft, zonder toestemming te vragen aan wie dan ook.

Maar toch is dit te simpel gezegd. Want er moet een diepere laag zijn waardoor vrouwen zo klein werden gemaakt, met ons voorop. Zou het komen omdat wij kunnen scheppen?
Waren het misschien niet zozeer wrede gedachten, maar een diepe, eeuwenoude onmacht die zich langzaam een weg zocht? Een stil verdriet over het mysterie dat de een wel bezat en de ander niet. Want waar de vrouw het leven simpelweg in zichzelf voelde ontkiemen, stond de man er aan de zijlijn naast. Om de controle terug te pakken begonnen mensen verhalen te bouwen van wetten, muren en mannelijke goden. Niet altijd uit kwaadwilligheid, maar om grip te krijgen. De scheppingskracht werd verschoven naar de hemel, alsof men hoopte dat als de Schepper een vader was, de man tenminste een klein stukje van het raadsel van leven geven kon bezitten.

Of ging het om een nog menselijker angst: het verlangen om iets van jezelf achter te laten als de tijd verstrijkt? Toen de mens de aarde ging verdelen en hekken om de gronden zette, ontstond de vrees voor de vergetelheid. Een moeder kent haar kind altijd, maar de man kon enkel hopen dat zijn eigen bloed voortleefde in de oogst van morgen. Want was het kind wel echt van die man? Of had de vrouw stiekem een minnaar? Uit die broze twijfel groeide de drang om vast te houden wat vluchtig was. Isoleer de vrouw, maak haar klein, en zo weet je zeker dat ze jouw kind leven zal geven.

Toen het leven later nog harder werd, en de wereld vroeg om orde, werk en zekerheid, werden de raadselachtige kanten van de mens – de kennis van kruiden, het stilzetten of schenken van leven, de solitaire vogelvrije zielen – plots een bedreiging voor de rust. Want wie wist welke plant een koorts kon breken, welke een wond kon genezen en welke een zwangerschap kon beïnvloeden, bezat een vorm van macht die zich moeilijk liet controleren. En wie wist wat er in een lichaam gebeurde bij geboorte, ziekte en dood, beschikte over kennis waar anderen afhankelijk van waren zonder haar zelf te kunnen doorgronden.

Zulke vrouwen hoefden niet eens werkelijk gevaarlijk te zijn. Het was al genoeg dat ze iets konden wat anderen niet konden verklaren, en dat hun kennis niet afkomstig was uit een instituut, een kerk of een man die toestemming had gegeven om haar te bezitten. Zodra een genezing mislukte, een kind stierf of een ziekte toesloeg, kon dezelfde vrouw die gisteren nog als wijze werd geraadpleegd vandaag worden aangewezen als degene die het onheil had veroorzaakt. Zo kon kennis die eerst vertrouwen had gewekt langzaam veranderen in bewijs van schuld.
Het was alsof de mensheid, bang voor haar eigen schaduw, de grip probeerde te bewaren over het enige wat ze nooit volledig kon controleren, namelijk het mysterie van het ontstaan zelf.

Het komt allemaal neer op één ding: menselijke twijfel. Onzekerheid is een gif dat knaagt. Niets is voor een mens zo onverdraaglijk als staan voor de drempel van iets wat hij niet kan dwingen, bezitten of doorgronden. Twijfel maakt bang dat de ander iets weet wat jij nooit zult begrijpen. En die angst werd nog groter zodra ze naar mij keken – de oude vrouw alleen in het bos, zonder man, zonder nageslacht, die ondanks alles onaantastbaar bleef. Maar bovenal een vrouw die in het bezit was van alle kennis. Als je een geheim niet kunt ontrafelen en de bron niet kunt bezitten, rust er nog maar één vraag op je lippen: hoe houd je er dan ooit grip op?

Wat doe je dan, als je zoiets ongrijpbaars niet kunt beheersen? Je maakt het eng. Je zet er schedels omheen. Je laat het huis draaien zodat niemand de weg kan onthouden. Je verzint dat de deur je opeet als je de verkeerde vraag stelt. Angst is de goedkoopste vorm van controle die er bestaat. Het is goedkoper dan een leger, effectiever dan een wet, want een wet kun je overtreden en een angst draag je overal mee naartoe, zelfs als er niemand kijkt.

Dus toen ik je aan het begin vroeg waarom ze wilden dat je bang voor me was? Ik weet het nog steeds niet zeker, maar dit is hoe mijn gedachten rond blijven zingen. Ik denk niet dat ze het deden omdat ik gevaarlijk ben. Ik denk dat ze het deden omdat ik vrij ben. En vrije, alleenstaande, oude vrouwen die kennis dragen en die aan niemand verantwoording hoeven af te leggen, zijn al sinds mensenheugenis het lastigste wat een systeem kan tegenkomen dat op orde en gehoorzaamheid is gebouwd.

Kijk nog eens naar hoe ik hier ben afgebeeld. Ik heb geen ijzeren tanden. Ik vlieg niet in een vijzel door de lucht waarin ik op jacht ga naar een hapje kind. Hoewel ik moet toegeven dat het een spectaculair beeld is, en ik heb heus wel eens plezier gehad om mijn eigen reputatie. Maar nee, helaas, ik moet je teleurstellen. Ik ben gewoon een vrouw met een boek, een sleutel om mijn nek, en een sleutelgat waarachter alle kennis verborgen zit. En de vijzel heb ik natuurlijk in huis staan als grap. Dat moet toch kunnen.

Maar goed, de sleutel. Die is niet voor mij. Dat is het misverstand waar mensen altijd in trappen. Ze denken dat ik de kennis voor mezelf houd, gulzig, gierig, zoals de karikatuur wil dat een oude vrouw met macht altijd gulzig en gierig is. Maar een bewaarder is geen dief. Ik houd de sleutel om hem te geven aan wie er klaar voor is, aan wie de moeite neemt om te komen vragen.

Je bent misschien ook nieuwsgierig naar het boek? Dat is misschien wel het meest onterecht vergeten deel van mij. Men vertelt je over mijn hut, mijn hek, mijn tanden, mijn vijzel. Bijna niemand vertelt je over het boek. Alsof het te gewoon was om te onthouden, te weinig griezelig om door te vertellen bij het vuur. Maar het boek is er altijd geweest. Ik heb altijd gelezen, verzameld, opgeschreven en doorgegeven. Dat is nooit het interessante deel van het verhaal geworden, want een oude vrouw die leest is minder spannend dan een oude vrouw die kinderen opeet. Zie je hoe dat werkt? Zelfs in wat wel is overgeleverd, is er nog een keuze gemaakt over wat de moeite van het vertellen waard was.

Ik zie dat je moe word, dus laat ik je nog één ding meegeven voor je weer gaat.
Ik wil niet dat je hier weggaat met wrok. Wrok is een zwaar ding om mee te dragen en het past niet bij wat ik je wil meegeven. Ik wil dat je weggaat met een andere blik. De volgende keer dat je een oud verhaal hoort over een vrouw die eng is, die alleen woont, die macht heeft die niemand haar gegeven heeft, die met de dood of met kennis of met het onbekende wordt geassocieerd, stel jezelf gewoon die ene vraag die ik ook stel.

Waar staat zij daadwerkelijk voor? En waarom wilden ze dat je daar bang voor was?

Je hoeft het antwoord niet meteen te vinden. Sommige deuren draaien pas open als je er lang genoeg voor gestaan hebt, je rug naar het bos, je gezicht naar mij toe. Wederom een grapje, sorry, ik kan het niet laten.
En zoek me gerust nog eens op. Kom binnen als je wilt. De ketel staat al klaar. Maak je geen zorgen om de stoel met de tanden, die bijt alleen als je iets probeert te stelen zonder ervoor te betalen. Voor de rest ben je hier veilig. Veiliger dan in de meeste verhalen die ooit over mij zijn opgeschreven.