Er zijn verhalen die je kiest, en verhalen die je vinden.
Nachtmerrie, die binnenkort uitkomt, begon met een vraag die ik niet kon loslaten: wat als de naam die iemand in zijn slaap mompelt niet zomaar een naam is? Wat als er iets achter zit wat ouder is dan wij, ouder dan het gebouw waar het verhaal zich afspeelt, ouder dan de stad die er overheen is gebouwd?
Shirley, het hoofdpersonage, is niet iemand die in dat soort vragen gelooft. Ze werkt in een verpleeghuis, is nuchter en zorgzaam, iemand die van aanpakken houdt en die verklaringen zoekt omdat verklaringen kloppen. Toen ik haar bedacht, wist ik meteen: zij moet het zijn. Niet iemand die openstaat voor het onverklaarbare, maar iemand die er dwars doorheen moet, stap voor stap, tegen haar eigen aard in.
Want dat is hoe angst werkt. Niet met een klap, maar met kleine dingen. Een naam die terugkeert. Een deur die dichtslaat zonder tocht. Een bewoner die haar lippen sluit als een slot en giechelt.
Terwijl ik schreef, dook ik de geschiedenis in. Ik stuitte op de nachtmare, een wezen uit de Europese folklore dat in vrijwel elke cultuur een variant kent. Een vrouw die ’s nachts bij je komt, die op je borst gaat zitten waardoor je benauwd wordt en die je dromen geeft die voelen als werkelijkheid. Wat me raakte was niet het wezen zelf, maar wat er in de geschiedenis mee was gedaan. Want op een gegeven moment was de mare geen folkloristisch verhaal meer. Ze werd een beschuldiging. Gericht aan gewone vrouwen, vrouwen met een moedervlek, of kruiden in huis, of gewoon de pech om anders te zijn dan wat een dorp begreep.
In Nederland zijn zeker 250 mensen geëxecuteerd tijdens de heksenvervolgingen. In heel Europa naar schatting zestigduizend, van wie driekwart vrouw. Ze werden beschuldigd van dingen die niet bestonden, berecht op basis van angst, en vervolgens vergeten. De mare, het verhaal dat mensen vertelden om nachtmerries te verklaren, werd het wapen waarmee vrouwen werden vernietigd.
Dat gegeven liet me niet los. En dus verwerkte ik het in het verhaal.
De mare is in dat proces iets interessants geworden: een verhaal dat eerst diende om het onbegrijpelijke te ordenen, en daarna werd ingezet om het onwenselijke uit te sluiten. Folklore als verklaring, en folklore als wapen.
In Nachtmerrie loopt dat door in het heden. Shirley helpt bewoners met hun dagelijkse leven, met routines, met verwarring die bij ouderdom en dementie hoort. Tot er iets verschuift dat niet meer in die logica past. Los van elkaar beginnen bewoners dezelfde naam te noemen. Nachten worden onrustiger. Er ontstaat een patroon dat zich niet meer laat verklaren.
Wat volgt is geen snelle breuk met de werkelijkheid, maar een geleidelijke verschuiving ervan.
Het verhaal gaat uiteindelijk minder over de vraag wat er “echt” is, en meer over wat een naam kan worden als die lang genoeg blijft bestaan. Hoe verhalen zich vormen, hoe ze zich verspreiden, en hoe ze uiteindelijk iets kunnen gaan dragen dat groter is dan de oorspronkelijke gebeurtenis.
Wat ik met dit boek heb geprobeerd te doen, is niet zozeer een antwoord geven, maar een beweging volgen: van verhaal naar geloof, van geloof naar geschiedenis, en van geschiedenis weer terug naar het heden waarin we leven.
Dat was wat ik wilde maken. Niet een verhaal over geesten, maar een verhaal over wat er gebeurt als onrecht eeuwenlang niet wordt uitgesproken. Over een vrouw die vierhonderd jaar geleden iets werd genoemd wat ze niet was, en die sindsdien is gebonden aan de plek waar haar dat is aangedaan.
Wat ik hoopte te maken is een verhaal dat je nog even bijblijft als je het dichtslaat. Niet omdat het eng was, maar omdat je ergens halverwege bent gaan beseffen dat de schim die eerst de bewoners de stuipen op het lijf jaagt niet alleen maar een personage is. Dat vrouwen zoals zij echt hebben bestaan, op echte plekken, op de grond waar wij vandaag de dag op lopen. Dat hun namen zijn vergeten maar hun verhaal niet is opgehouden.
En dat het misschien iets van ons vraagt om dat te erkennen.
Nachtmerrie verschijnt binnenkort als paperback en ebook.

