Als lid van De Correspondent las ik laatst een indringend artikel van Vera Mulder, correspondent vooroordelen. Met de titel “Ik viel 50 kilo af, maar dat maakt me geen beter mens” trok ze meteen mijn aandacht, want wat zou ze daarmee bedoelen? Wat volgde was een prachtig, aangrijpend, beeldend en – helaas – herkenbaar stuk, waarin ze haar visie op gewicht deelde evenals haar ervaringen met oordelen, scheldpartijen en vernederingen, verpakt als ‘zorgen om je gezondheid’.

Volgens sommigen was het relaas, waarin ze bijvoorbeeld schreef over mayonaise die door wildvreemde jongens in haar gezicht was gesmeerd, ‘een beetje overdreven’. Maar uit eigen ervaring kan ik vertellen dat ik er toch echt weinig overdreven aan vond. Sterker nog, ik heb soortgelijke ervaringen, maar dan uit de tijd toen ik ineens flink was afgevallen. Ik neem je dan ook mee op reis naar mijn perikelen met gewicht.

Tot halverwege de dertig was ik uiterst slank. Met mijn 1,77 meter en maatje XS, had ik nog nooit opmerkingen gekregen over mijn gewicht. Hooguit een opmerking dat ik met een harde windvlaag zo weg zou waaien. Ook niet toen ik later, door wat later bleek een te laat gestelde diagnose coeliakie, in een paar maanden tijd ineens boven de 90 kilo woog. Behalve dan van mijn internist, die verwonderd opmerkte dat ik ineens borsten had gekregen. Dat klopte, want ik was van een bescheiden cup a naar een omvangrijke cup e gegroeid, wat nogal wennen was.

De omslag kwam na de diagnose. Ik ging glutenvrij eten en viel, zonder er iets voor te hoeven doen, weer af naar mijn oude gewicht.
Maar voordat het zover was, en ik nog langzaam slonk, waren er complimenten. Wat knap dat ik nu eindelijk afviel! Wat mijn geheim was? Nou, simpel: glutenvrij eten, ik was daarvoor gewoon hartstikke ziek. De complimenten sloegen om toen ik weer terug was bij mijn vertrouwde maat XS.

“Ze heeft vast anorexia,” was het minst erge. Wat ik veel erger vond, waren de vrouwen die zich in de supermarkt ineens ongevraagd met mij gingen bemoeien. En ik heb alles meegemaakt. Bijvoorbeeld van een vrouw die daar snoepjes stond te promoten en tegen mij zei: “Jou hoef ik niets te vragen, jij bent bang voor elk beetje suiker” tot vrouwen die in mijn mandje keken en zeiden dat daar echt wel wat meer eten bij kon, vond ik dat zelf ook niet?

De maat was voor mij vol toen het bijna kerst was. Ik was in een blije stemming, had voor het eerst na een verdrietige kerst dat jaar ervoor (ons hondje was een paar dagen voor het feest losbarstte overleden) weer zin om het huis te versieren. Ik liep dan ook bijna jubelend naar de winkels onder mijn huis om nog wat lampjes te halen. Tijdens het lopen kwam ik, op een overvol plein, een bekende tegen. Vanuit het niets schreeuwde ze: “Lelijk! Jij bent echt zo lelijk nu je zo dun bent!”
Met tranen in mijn ogen rekende ik de lampjes af. De blije stemming was verdwenen.

Ik heb mezelf altijd als een sterk iemand gezien. Al die opmerkingen in de supermarkt en op een overvol plein? Dat zei meer over de ander. Maar onbewust deed het veel meer met me dan ik wilde toegeven. In de hoop wat aan te komen, werkte ik vanaf dat moment elke avond na het avondeten een zak chips naar binnen. Het hielp overigens niets, ik kwam er geen gram van aan. Ook ging ik onbewust de supermarkt vermijden. Ik hield mezelf voor dat je boodschappen thuis laten bezorgen, ook al woonde ik boven een supermarkt, veel makkelijker zou zijn. En dat terwijl ik er graag kwam. Door mijn nog steeds haperende gezondheid in verband met andere aandoeningen dan coeliakie kwam ik weinig buiten. De supermarkt was mijn moment om er even uit te zijn en onder de mensen. Maar de mensen waren vijandig geworden, zogenaamd uit ‘zorgen om mijn gezondheid’.

Vrijheid van meningsuiting is een groot goed. En je zorgen met iemand delen kan hartverwarmend zijn. Maar de manier waarop we tegenwoordig over gewicht praten, alsof het iets is waar je je zo hard mogelijk over mag uitlaten, heeft grotere gevolgen dan we denken.
Want wat zegt het eigenlijk over ons, dat een lichaam nooit goed genoeg is? Te dik is blijkbaar een teken van gebrek aan discipline, iemand die wel een duwtje in de rug kan gebruiken. Te dun is plotseling een gevaar voor jezelf, een zorgenkindje dat op klaarlichte dag op een plein publiekelijk gecorrigeerd moet worden.

Hoe mijn lichaam er ook uitziet, blijkbaar is er altijd wel iemand die het nodig vindt om er iets van te vinden. Ook nu, nu ik weer ben aangekomen door de perimenopauze. Maar nooit gaat het echt over mijn gezondheid. Niemand die het over ziekte of hormonen heeft, of vraagt hoe het met me gaat. Ze vragen niet door, ze schreeuwen. Ze kijken niet naar mij, ze kijken naar een getal, een silhouet, een maatje op een label, en daar plakken ze in een fractie van een seconde een heel oordeel aan vast.

Dat is denk ik het venijnige aan praten over gewicht. We verpakken het zo makkelijk als bezorgdheid met een strikje erom, terwijl het vaak niets anders is dan een vrijbrief om grenzeloos te zijn. Want over gewicht mag blijkbaar iedereen zomaar hardop zijn mening geven, alsof een lichaam openbaar bezit is zodra het opvalt, op welke manier dan ook.

Ik denk vaak terug aan dat plein, aan de lampjes die ik met trillende handen afrekende. Niet omdat die ene vrouw gelijk had – dat had ze niet – maar omdat ze met één zin een compleet onschuldig moment wist te vergiftigen. Een moment waarin ik, na een verdrietig jaar, eindelijk weer even licht voelde. Dat is de echte schade van dit soort opmerkingen: niet dat ze kloppen, maar dat ze zich vastzetten. Ze knagen door tot in de avonden met de zakken chips die nergens toe leidden, tot in de vermeden supermarktgangen, tot in een stiller, voorzichtiger versie van jezelf.

Vera Mulder had gelijk toen ze schreef dat afvallen haar geen beter mens maakte. Ze had gelijk toen ze schreef dat aankomen mij geen slechter mens maakte, en weer afvallen al helemaal niet. Mijn lichaam veranderde door ziekte of hormonen, niet door karakter. En toch was het altijd mijn opgeplakte karakter, ontstaan uit vooroordelen, waar mensen zich blijkbaar het meest zorgen over maakten, verkleed als bezorgdheid om mijn buikomvang.

Misschien is het tijd dat we ophouden elkaars lichaam te lezen als een mededeling die om commentaar vraagt. Een lichaam is geen uitnodiging. Geen gespreksopener in de supermarkt, geen aanleiding om op een druk plein je stem te verheffen. Als je oprecht om iemand geeft, vraag dan hoe het met diegene gaat – niet met de kilo’s. Vraag naar het verhaal achter de verandering, in plaats van er meteen je eigen verhaal overheen te leggen. Want achter elk lichaam dat verandert, zit een mens. En die verdient geen scheldpartij op klaarlichte dag, maar op zijn hoogst een vraag, gesteld met net zoveel zachtheid als je zou willen ontvangen als het jouw lichaam was dat vandaag op straat wordt beoordeeld.