Jarenlang dacht ik dat er iets mis met me was. Dat ontspannen iets was wat andere mensen gewoon konden, als een knop die bij mij simpelweg niet was meegeleverd.
Ik heb het geprobeerd. Werkelijk alles.
Yoga, bijvoorbeeld. Daar lag ik dan, benen achter mijn oren, terwijl de docent met een stem als gesmolten boter “voel je adem” fluisterde. Wat ik voelde was vooral paniek, en de gedachte: als ik nu een hartstilstand krijg, hoe lang duurt het dan voor iemand het doorheeft, in deze houding?
Door naar zenmuziek. Ik ben er inmiddels van overtuigd dat het stiekem een afkorting is van zenuwmuziek, want na twee minuten kabbelend water en windgongen zit ik strakker in mijn vel dan ervoor. Mediteren dan? Laat me niet lachen. Een paar seconden stilzitten en mijn brein begint binnen drie seconden een volledige inventarisatie van alle e-mails die ik nog moet beantwoorden, een liedje dat ik al weken niet meer gehoord heb, en de vraag of ik de deur wel op slot heb gedaan. Ik ben dan technisch gezien stil. Innerlijk is het een kermis.
Daar kwam verandering in toen een half jaar geleden iemand in een gesprek iets opperde wat ik nog nooit had overwogen.
“Word jij niet gewoon kalm van beweging en chaos?”
Dat was hem. Dat was de sleutel waar ik jarenlang naar had lopen zoeken in de verkeerde kamer. Want er bleek niets mis met me. Ik was alleen op zoek naar rust op plekken waar die voor mij nooit had gewoond. Geen mindfulness, geen retraite, geen strandje met een cocktail. Ik word zen van storm. Van flink doorstappen in de duinen, met zoutige lucht die in je longen bijt. En de meest ultieme vorm van ontspanning die ik ken: onweer. Sinds ik ’s avonds voor het slapengaan filmpjes kijk van zware onweersbuien en tornado’s, val ik als een blok in slaap.
Waar dit precies vandaan komt, is me een raadsel. Al heb ik wel een vermoeden.
De dag dat het klaslokaal donker werd
Ik kan me de dag nog herinneren alsof het gisteren was. Groep 4, een stralende dag, geen wolkje aan de lucht. We waren druk bezig het alfabet over te trekken in onze schriftjes. Het was warm, dus had meester Visser de glazen tuindeuren van het lokaal opengezet.
En toen, van het ene op het andere moment, werd het pikdonker.
Een valwind sloeg de deuren met zo’n kracht tegen de muur dat het glas barstte. Ergens in de verte gromde de eerste donder. Ik voelde mijn lijf trillen, een rilling die ergens diep van binnen begon en helemaal naar mijn vingertoppen uitwaaierde.
Meester Visser, geroutineerd in het kalmeren van twintig kleuters, probeerde ons af te leiden met een vraag: wie weet wat je moet doen als het onweert en je buiten bent?
Ik wist het antwoord. Of nou ja, ik dacht het te weten. Iemand in mijn leven had me ooit, met de beste bedoelingen, verteld dat je op een open vlakte het beste onder een boom kon schuilen. Mijn vinger schoot de lucht in. Trots liep ik naar voren om aan de hele klas uit te leggen wat je dus juist nooit moet doen. Negentien kleuters lagen in een deuk. Ik had geen idee waarom.
Buiten barstte ondertussen de hel los. Bliksem die het lokaal in fel wit licht zette, donderslagen die je in je borstkas voelde, en regen die met zo’n kracht naar beneden kwam dat het meer op een zondvloed leek dan op een buitje. Het lachen was iedereen op slag vergaan.
Op een gegeven moment moest ik naar de wc. Meester Visser liep met me mee. Het moment dat hij de deur van het lokaal naar de gang opende, staat in mijn geheugen gegrift. De hele gang lag bezaaid met plafondplaten en centimeters regenwater. Hij heeft me erover heen gedragen, mijn armen stijf om zijn nek geklemd.
Toen de bui eindelijk wegtrok, mochten we naar huis. Een paar honderd meter van school was de brandweer nog in touw. Geen dertig meter van mijn huis vandaan had de bliksem de schoorsteen van de buren eraf geslagen.
Het maakte een diepe indruk. Jarenlang was ik dan ook doodsbang voor onweer.
Van angst naar fascinatie
De eerste verandering kwam in groep 8. Ik had toen al, zo blijkt, een brein dat liever dingen wilde begrijpen dan vermijden. De angst was niet onterecht geweest, maar ik was het ook spuugzat om bij elke onweersbui met mijn hoofd onder een kussen te liggen, met daarbovenop nog een deken voor de zekerheid. Dus koos ik, tegen elke logica in, onweer als onderwerp voor mijn spreekbeurt.
Ergens tussen het opzoeken van bliksemschichten en het uittekenen van hoe een donderwolk ontstaat, sloeg de angst om in iets anders. Fascinatie.
Het ging niet in één klap. De eerste jaren bleef er een soort huiver hangen, een reflex die niet wilde verdwijnen. Tot de knop ineens helemaal omging. Onweer werd mijn favoriete weertype. Zodra een meteoroloog ook maar de mogelijkheid van onweer noemde, liep ik de hele dag rond met een soort kinderlijke verwachting in mijn lijf.
De keerzijde
Dat die omslag ook een prijs had, ontdekte ik pas later.
Drie jaar geleden, bijvoorbeeld. Het onweerde, en ik stond – natuurlijk – op mijn balkon, te kijken en te luisteren naar het schouwspel. Ineens gingen alle haartjes op mijn armen rechtovereind staan, en ik voelde iets door mijn lichaam trekken dat ik nog steeds niet helemaal onder woorden kan brengen. Het duurde nog geen seconde, maar leek zich in slow motion af te spelen: de bliksem sloeg in, op nog geen dertig meter van me vandaan, in een boom.
Ik heb daarna weken rondgelopen met de haren op mijn armen rechtop, dat maar niet wilde wegtrekken, en een soort euforie die bijna griezelig was. Deels omdat ik het overleefd had, denk ik. Maar vooral omdat ik nog nooit zoiets wonderbaarlijks had meegemaakt. Het natuurgeweld had wederom een diepe indruk op mij gemaakt.
Je zou trouwens denken dat zoiets je voorzichtiger maakt.
Nee, hoor.
Gisteravond
Gisteravond staat in het collectieve geheugen van een groot deel van Nederland gegrift. De bliksem was een stroboscoop. Bomen bleken ook horizontaal prima te functioneren. Er viel in korte tijd zoveel regen dat de straat binnen no time veranderde in een soort glanzend poeltje.
En ik? Ik stond op mijn balkon. Te filmen.
Ik heb me nog nooit zo levend gevoeld als op dat moment. Op een gegeven ogenblik kreeg ik een bijna onbedwingbare neiging om mijn armen de lucht in te gooien, als een soort overwinningsgebaar tegen de elementen. Ik had alleen een GoPro in mijn handen, en die laten vallen voelde als verraad. Maar daar, omringd door zoveel natuurgeweld, voelde ik voor het eerst in weken een kalmte over me neerdalen die ik nooit eerder had ervaren. Geen gespannen, opgejaagde kalmte. Echte rust.
Later die nacht checkte ik mijn horloge, half nieuwsgierig, half om mezelf gerust te stellen dat ik niet compleet doorgedraaid was.
Ik bleek niet gek. Tijdens dat filmen op het balkon – best gevaarlijk, dat geef ik toe – had ik de laagste hartslag die het ding ooit gemeten had. Mijn hartritmevariabiliteit, normaal gesproken een graadmeter voor stress, stond op het beste punt ooit.
Dus heb ik mijn eigenaardigheid maar omarmd. Waar andere mensen tot rust komen bij het geklingel van een panfluit, word ik op een wat ongemakkelijke manier kalm van chaos.
Ik vermoed dat ik niet de enige ben.
Ik weet het zelfs vrij zeker, want ondertussen ben ik beland in een hoekje van het internet waar mensen filmpjes van supercellen plaatsen en op elkaar reageren met hartjes in plaats van met paniek.
En zo zit ik nu, de ochtend na een nacht natuurgeweld, stiekem buienradars te vergelijken met routes door Tornado Alley. Heel verstandig klinkt het allemaal niet. Maar als ontspannen voor mij betekent dat ik achter het stuur van een busje door Oklahoma scheur, op jacht naar de volgende supercel, dan moet dat maar. Mijn hartslag zal het in elk geval geweldig vinden.
