Er zijn mensen die tuinieren alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Die op zaterdag nonchalant met een gieter rondlopen, hun tomaten aanspreken met koosnaampjes, en ’s avonds tevreden met modderhanden een glas wijn drinken terwijl ze uitkijken over hun wuivende groente. Ik wilde ook zo iemand zijn. Dat is niet helemaal gelukt, al loopt het verhaal toch nog goed af, met dank aan een voedseldroger die inmiddels de onbetwiste ster is van mijn keuken.
Maar eerst moeten we het hebben over de volkstuinvereniging. Want daar begint dit verhaal, en het is belangrijk dat je begrijpt wat me is overkomen voordat je me veroordeelt om de droger.

De grond
Samen met iemand anders had ik een lapje grond gehuurd bij een volkstuinvereniging. We hadden plannen. Mooie plannen. Een mini voedselbos, een plek waar de natuur wat meer haar gang mocht gaan, met vaste planten, eetbare struiken, kruiden die zichzelf uitzaaien, en veel fruit. Het idee alleen al gaf een soort van innerlijke rust – duurzaam, verbonden met de aarde, het type mens dat weet wanneer basilicum te oogsten.

We waren er nog geen twee dagen toen we werden aangesproken. Niet om hallo te zeggen, wel om te vertellen dat mulch foute boel is. We hadden nog nauwelijks iets in de grond gedrukt, maar blijkbaar was wat we deden echt niet goed. En hadden we al gehoord van het bestuursprobleem? Er was iets met de penningmeester. Of met de voorzitter. Of met allebei tegelijk, dat hing er een beetje van af aan wie je het vroeg.

Binnen 48 uur hadden we een redelijk compleet beeld van de interne politiek van de vereniging, inclusief meerdere kampen.
Ik moest onwillekeurig denken aan het boek Moord op de moestuin, wat klinkt als een onschuldig verhaal maar dat, als je ooit een volkstuincomplex van binnenuit hebt gezien, voelt als grondige onderzoeksjournalistiek. Want ja, er gaan dingen kapot op volkstuinen. Planten, ja. Maar ook huwelijken, vriendschappen, en – zo leek het – het geloof in de mensheid.

Nog verder in mijn gedachten: de serie Rust en Vreugd, waarbij de opening twee brandende tuinkabouters toont. Dit wordt vaak gezien als een ietwat donkere grap. Ik zie het als een accurate documentaire. Die kabouters zijn geen toeval. Die zijn door iemand op de ALV in de fik gestoken.
Het woord “tuincomplex” is, in retrospect, onbetwist het meest eerlijk gekozen woord in de Nederlandse taal. Het ís namelijk complex. Intens, onontkoombaar, angstaanjagend complex. Mensen die normaal gesproken volstrekt redelijk door het leven gaan worden op volkstuinen iets anders. Het heeft te maken met de grond, denk ik. Of met de tuinkabouters.

De aftocht
We hebben de planten uit de grond getrokken. Dat voelde aanvankelijk als opgeven, maar heeft achteraf meer weg van ontsnapping. De planten gingen mee naar huis, in grote potten, en werden geplaatst op de galerij voor mijn appartement.
En wat bleek: potten zijn eigenlijk geweldig. Je planten staan gewoon bij je. Je hoeft er niet heen. Er is geen penningmeester. Niemand heeft een mening over waar jouw courgette staat, behalve jijzelf, en jij bent te verstandig om die mening aan anderen op te dringen.

De galerij vult zich langzaam maar gestaag. Kruiden in rijen, een paar fruitplantjes, en de eerste contouren van wat ik – met enige bravoure – een tweede “mini voedselbos” ben gaan noemen. Want ik heb er al eentje op mijn balkon. Strikt genomen is het eerder een georganiseerde chaos van potten van verschillende maten, maar een voedselbos-in-wording klinkt nu eenmaal beter dan “ik heb heel veel eetbare planten op mijn balkon en galerij gezet en het groeit allemaal wel een beetje”.

De keuken betreedt het toneel
Een galerij en balkon alleen bleek niet genoeg te zijn voor mijn toenemende groene ambities. Er was ook nog de keuken.
Hydroponisch tuinieren bleek de oplossing. Voor de mensen die dit woord nog nooit zijn tegengekomen: het is tuinieren zonder grond. Planten groeien in water dat verrijkt is met voedingsstoffen, en ze doen dat met een soort onbeschaamd enthousiasme dat reguliere planten in aarde zelden evenaren. De wortels hangen gewoon in het water, de plant weet precies wat die nodig heeft, en het geheel ziet eruit als iets halverwege een sciencefiction-set en een hippe Scandinavische keuken.

Ik ben er zo ingerold en ik ging voor simpel: de LetPot (dit is geen gesponsorde content, dus ren nog niet weg). Sla groeit er belachelijk snel in. Kruiden als basilicum, munt en peterselie doen het uitstekend. En je kunt het jaar rond oogsten, ongeacht het seizoen, ongeacht het weer, ongeacht of er buiten een bestuurslid van een volkstuinvereniging loert.
De keuken is dus ook een soort tuin geworden. Een stille, geordende, bestuurslid-vrije tuin. Ik heb er vrede mee.

Het overschot
Het begin was ambitieus, maar ineens deed zich een luxeprobleem voor. Er was te veel. Niet een beetje te veel, werkelijk te veel. De kruiden explodeerden, de aardbeien waren niet te stuiten en de munt vermeerderde zich op een manier die deed denken aan bepaalde horrorfilms over invasieve soorten.
Ik deelde met buren. Ik deelde met vrienden. Ik stond op een gegeven moment met een plastic zak vol citroentijm op de stoep en wist eerlijk gezegd niet meer naar wie ik zou gaan. Iedereen had al citroentijm. Ik had ze de citroentijm gegeven.

En toen begon ik na te denken. Wat doe je met een overschot aan kruiden en fruit als je een klein appartement hebt, geen schuur (of liever gezegd: wel een schuur, op ongeveer een kilometer afstand, die bedompt en discutabel is in de mate dat ik mijn gedroogde kruiden er absoluut niet wil bewaren), en een groeiende fascinatie voor theemelanges?

Theemelanges. Dat leek me iets. Lavendel, munt, rozemarijn, citroenverbena en -melisse, salie, aardbei, aardbeiblad, frambozenblad, en ga zo maar door. Kortom: een hele herfst- en wintercollectie, prachtig in kleine potjes, met een heerlijke geur en zelfgemaakt. Het enige wat ik nodig had, was een manier om de kruiden goed te drogen.
Haken aan een zolderplafond: geen zolder.
Drogen op de galerij: te vochtig, te grillig.
De mysterieuze schuur op een kilometer afstand: uitdrukkelijk uitgesloten.
En zo belandde ik, langs een route die nu onvermijdelijk lijkt, bij een voedseldroger.

De voedseldroger
Ik zal eerlijk zijn: ik had er niet meteen hoge verwachtingen van. Het klonk een beetje als een apparaat voor mensen die zich zorgen maken over de apocalyps, of voor fervent kampeerders die hun eigen trailmix samenstellen. Ik voel me geen van beiden. Of in ieder geval niet openlijk.
Maar toen hij er eenmaal was, was het raak.

De eerste lading was salie, rozemarijn, aardbeien en de bladen van de aardbei en framboos. Het appartement rook naar een spa. Ik lag op de bank een boek te lezen en voelde me onverklaarbaar tevreden. Voor het eerst voelde het alsof alle losse experimenten – het balkon, de galerij, de LetPot en de stapels potjes – ineens onderdeel waren van hetzelfde verhaal.
En toen ging ik de aardbei proeven. Gedroogde aardbeien hebben een geconcentreerde zoetheid die gewone aardbeien niet eens benaderen. Het is alsof een aardbei heeft besloten om zijn diepste aardbei-essentie samen te persen in een derde van het volume.
Alles is dan ook goedgekeurd, Ik heb ze in kleine glazen potjes gedaan, met etiketten. Ze zien er vrolijk uit. En wie weet heb ik straks zoveel gedroogde thee, dat ik daar weer mensen blij mee kan maken.

Herfst en winter
Er zijn mensen die van de zomer houden. Die tellen de dagen af naar de eerste hitte, die leven voor terrassen en vakantie en korte nachten. Ik ben dat niet. Ik ben gemaakt voor de herfst, winter en het voorjaar. Mits het dan niet te warm is, zoals dit jaar het geval is. Ik hou van de eerste regen na de zomer, van de geur van natte aarde, van de donkere ochtenden met een kop thee, van truien en kaarsen en de aanvaardbare introversie die het seizoen met zich meebrengt.

Dit jaar kijk ik de herfst met een soort voorpret tegemoet. Want er staan potjes te wachten. Er is straks gedroogde gember voor chai, en kamille voor kalme avonden, en een niet onaanzienlijke hoeveelheid munt in meerdere varianten die ik nu eindelijk een bestemming heb gegeven.
De voedseldroger staat op zijn plek in de keuken, rustig en onopvallend. Hij vraagt niets van me. Hij heeft geen bestuur, geen ledenlijst, geen mening over mijn courgette. Hij doet gewoon zijn werk, langzaam en gestaag, en laat me met gedroogde schatten achter.

De moraal
Ik ben niet de tuin ingegaan om te eindigen bij een voedseldroger. Ik ben de tuin ingegaan om verbonden te zijn met de aarde, groene dingen te laten groeien, en misschien een beetje het gevoel te krijgen dat ik iets bijdraag aan het ecosysteem in plaats van er alleen maar van af te nemen.
Dat is gelukt, zij het anders dan gepland. Maar toch zou ik het niet anders meer willen.

Praktische noot: als je ook een voedseldroger overweegt, let dan op het wattage (hoe meer, hoe sneller), het aantal laden (meer laden = grotere capaciteit), en of de temperatuur per graden instelbaar is. Dit maakt verschil voor delicate bloemen en kruiden versus dichtere vruchten. Je zult er geen spijt van krijgen.