Er zijn van die middagen waarop je op de bank ligt en eigenlijk niks kunt. Alsof iemand de stekker uit je systeem heeft getrokken. Ik had een glutenfout gemaakt. Wie coeliakie heeft, weet hoe dat voelt: je bent er wel, maar ook weer niet. Ik zette YouTube aan. Niet om bewust naar te kijken, gewoon om geluid om me heen te hebben.

Ik belandde, zoals vaker op zulke middagen, bij documentaires over mensen die iets hebben meegemaakt wat ze nauwelijks kunnen uitleggen. Niet omdat ik ergens in wil geloven of juist niet, maar omdat ik die verhalen fascinerend vind om een heel andere reden: wat doet zo’n ervaring met iemand? Hoe vertel je iets wat je niet goed in woorden kunt gieten, aan mensen die er niet bij waren?

Een van die documentaires ging over een man uit New Orleans. Ik weet niet eens meer precies wat hij had meegemaakt. Wat ik wel weet, is hoe hij erover praatte. Voorzichtig. Alsof hij de woorden zorgvuldig koos, wetende dat ze toch niet helemaal zouden kloppen. Alsof hij al jaren had nagedacht over hoe hij dit zou zeggen en nog steeds niet zeker wist of het lukte.
Dat raakte me meer dan het verhaal zelf. Die ruimte tussen wat iemand meemaakt en wat iemand durft te vertellen.

Ik keek de video af en bracht de rest van de middag door met nog meer van dat soort documentaires. Maar ergens bleef er iets hangen. Niet als een idee of een plan, meer als een gevoel op de achtergrond dat niet wegging.

Op een gegeven moment was er een jongen. Caleb. Hij was er eerst niet echt. Of beter gezegd: hij was er wel, maar zonder vorm. Zonder context. Een gevoel van iemand die in een stad stond die ik kende van de beelden en de verbeelding tegelijk. Zeventien jaar, de zomer van 1985, en hij staat in een stad die hij niet kent omdat zijn vader net is gestorven en zijn moeder besloten heeft dat ze weg moesten uit zijn oude woonplaats. New Orleans. Niet als een setting die ik zorgvuldig uitkoos, maar als een plek die er gewoon was. Die zich bijna opdrong.

Ik heb hem lang genegeerd. Maanden. Ik wist niet wat het was, ik wist niet of het ergens naartoe ging, en ik had ook geen zin om mezelf te forceren. Sommige verhalen kun je niet afdwingen. Die laat je rijpen, of ze rijpen vanzelf terwijl jij met andere dingen bezig bent.

Pas veel later ben ik echt gaan schrijven. En toen ging het eigenlijk vanzelf, niet omdat ik alles al wist, maar omdat ik ophield te proberen het te sturen. Caleb wist allang wat hem was overkomen in dat park, op die ene avond. Ik moest alleen nog leren hoe ik het kon opschrijven zonder het kleiner te maken dan het was.
Schrijven voelt voor mij soms meer als luisteren dan als bedenken. Dit boek was daar een goed voorbeeld van.

Wat het boek uiteindelijk is geworden, heeft die kern nooit losgelaten: de vraag wat er met je gebeurt als de werkelijkheid even niet meer klopt. Niet als mysterie om op te lossen, maar als iets wat je leven in tweeën deelt – het voor en het na. Hoe ga je daarna verder? Aan wie vertel je het? En wat doe je als niemand je echt gelooft? Of erger nog, als je zelf niet meer zeker weet wat je hebt gezien?

Dat zijn vragen zonder nette antwoorden. Dat wist ik toen ik begon, en dat weet Caleb aan het einde ook. Maar ik denk dat de mooiste verhalen precies daar wonen: in de ruimte waar de zekerheid ophoudt.

De dag dat alles anders werd verschijnt volgende week.