Gisteravond stond mijn kind bij de voordeur. Gewoon buiten, bij de ingang van ons huis. Niets bijzonders. Totdat er een paar jongens aankwamen lopen, een jaar of negentien, twintig.
Een van hen begon te praten, vanuit het niets, alsof hij zomaar even een inzicht deelde dat hij gewoon kwijt moest. Hij legde uit hoe normaal hij het vindt om zijn vriendin te slaan. Niet vaag, niet als grapje, maar in detail. Je moet haar eerst bij haar haren grijpen. Zo zet je haar klem. Dan kun je slaan.
Mijn kind stond erbij.

Ik weet niet precies wat ik had verwacht toen ik dit hoorde. Woede, dat wel. Maar ook iets anders. Een soort koude herkenning. Want dit is niet uit het niets. Dit is het eindpunt van iets wat al heel lang groeit.
Vorig jaar heb ik geschreven over vele kanalen die (jonge) jongens bereiken met een wereld waarin vrouwen bijzaak zijn, of erger. Over influencers die dagelijks content droppen vol misogynie, machismo, minachting en de geruststelling dat ‘echte mannen’ zich niets aantrekken van grenzen. Het werd opgepikt. Mensen herkenden het.
En toch staat er gisteravond een jongen bij mijn voordeur die het hardop zegt. Met bravoure. Als een trots verhaal.

Op een gegeven moment zag hij de cameradeurbel.
Hij vroeg of hij werd opgenomen.
Daarna ging hij gewoon door.
Dat moment blijft me bij. Want daarin zit iets verontrustends dat verder gaat dan één jongen met verkeerde ideeën. Hij werd niet voorzichtig. Hij schaamde zich niet. Hij paste zijn verhaal niet aan voor de camera. De camera was eerder een soort podium. Kijk maar. Dit is wat ik denk. Dit is wat ik normaal vind.
Er was geen moment van twijfel.

We praten veel over online radicalisering alsof het iets is wat ergens ver weg gebeurt. In donkere hoeken van het internet, bij jongeren die je toch al niet kende, in landen waar het anders ligt. Maar radicalisering heeft dat alles niet nodig. Het heeft een telefoon nodig. Een algoritme. Een aanbevolen video. En een jongen die nog niet weet wie hij is, maar wel weet dat hij ergens bij wil horen.

Dat is het recept. Niet het monster, maar de leegte. De behoefte aan identiteit, aan een groep, aan het gevoel dat je iets begrijpt wat anderen niet snappen. En in die leegte stappen accounts, kanalen en figuren die zeggen: wij begrijpen jou wel. Hier is de waarheid. Hier is hoe het echt zit met vrouwen.
De boodschap zit in korte video’s van dertig seconden, tussen de rest van je feed, verpakt als humor of als ‘gewoon eerlijk zijn’.

Mijn kind is 21. Oud genoeg om te weten wat er mis was aan dat verhaal. Oud genoeg om niet mee te gaan in de logica van die jongen. Maar stel dat mijn kind een stuk jonger was geweest. Stel dat dit een klasgenoot was, een vriend, iemand die je respecteert omdat hij stoer is en zelfverzekerd en altijd precies weet wat hij moet zeggen.
Dan is dit een les.
En een les wordt herhaling. En herhaling wordt normaal.
Dat is hoe het werkt, in kleine beetjes tegelijk, totdat iets wat ooit ondenkbaar was gewoon klinkt als een mening.

Ik wil niet doen alsof dit een generatieprobleem is. Mannen die vrouwen slaan zijn niet uitgevonden door TikTok. Huiselijk geweld bestaat al zo lang als we bijhouden wat mensen elkaar aandoen. Maar er is iets veranderd in hoe openlijk en trots het wordt uitgedragen, in hoe een jongen van negentien bij een vreemde voordeur staat en het als een inzicht deelt, niet als een geheim.
De schaamte is weg. En dat is geen klein detail.
Schaamte is geen geweldig mechanisme. Het is geen vervanging voor echte waarden, echte empathie en echte gelijkwaardigheid. Maar het is wel een rem. Het is het moment van aarzeling voor je iets zegt of doet waarvan je weet dat het niet deugt. Als die rem verdwijnt – als je er juist trots op bent, als de camera je aanmoedigt in plaats van je te stoppen – dan ben je ergens anders beland.

Wat doe je ermee?
Mijn kind deed wat je kunt doen: de situatie observeren, niet escaleren, en het daarna vertellen. Aan mij. Zodat ik de beelden kon bekijken. Zodat ik er iets mee kon. Zodat ik dit kon schrijven.
Maar dat voelt onvoldoende. Het voelt als dweilen terwijl de kraan nog openstaat.
De kraan is niet één jongen. De kraan is een industrie van content die jonge mannen vertelt dat vrouwen objecten zijn, dat gevoelens zwak maken, dat dominantie liefde is. Die industrie heeft geld. Die industrie heeft bereik. Die industrie begrijpt algoritmes beter dan de meeste ouders en leraren ooit zullen doen.

Wat overblijft, is machteloosheid. Ik heb de beelden gezien van de cameradeurbel, en ik voelde mijn maag omdraaien. Niet van verbazing – dat is misschien wel het ergste. Van herkenning. Want dit is niet nieuw. Dit is alleen maar steeds gewoner geworden. En ik ben een vrouw die weet hoe het voelt als een man denkt dat hij dat recht heeft.
Daarna kwam de woede. En toen die andere laag, die stiller en kouder is: angst. Voor de meisjes die met zo iemand thuiskomen. Voor de wereld waar mijn kind in leeft. Voor hoe ver de normalisatie al is opgeschoven terwijl wij dachten dat het de goede kant op ging.
Het voelt alsof je met je handen staat te wapperen tegen een vloedgolf.

De jongen is weg. Hij liep door, zei wat hij wilde zeggen, en verdween weer in de avond.
Maar zijn woorden blijven hangen in de lucht van onze gang. En ik blijf me afvragen: wie heeft hem dit geleerd? En wie had hem anders kunnen leren?
Die vraag heeft geen makkelijk antwoord. Maar hem stellen, hardop, steeds opnieuw, is misschien het minste wat we kunnen doen.