
In een vorig artikel schreef ik over de zoektocht van mensen naar echte verbondenheid en hoe deze zoektocht soms uitkomt bij schadelijke praktijken, zoals bij groepen en beoefenaars die verbondenheid beloven maar iets heel anders leveren. Wie dat overkomt, blijft vaak achter met een lastige vraag. Wat is verbondenheid dan wél, als het niet dat was?
Voor het antwoord hoeven we niet ver te zoeken. De natuur legt het al miljoenen jaren uit, geduldig en zonder poespas, onder onze voeten.
Delen zonder dat er iets tegenover hoeft te staan
In een bos staat zelden een boom op zichzelf, ook al lijkt dat zo van bovenaf. Onder de grond lopen dunne schimmeldraden van wortel naar wortel, van boom naar boom, soms over tientallen meters. Via dat netwerk, het mycelium, stuurt een oude, sterke boom suikers naar een kiemplantje dat in de schaduw staat en nog niet genoeg licht vangt om zichzelf te voeden. Onderzoekers noemen zulke oude bomen weleens moederbomen, en niet zonder reden. Ze herkennen als het ware hun eigen nakomelingen in de bodem.
Dat is verbondenheid in zijn puurste vorm. Niet omdat het iets oplevert of als ruil, maar omdat de een de ander kan helpen overleven, en dat gewoon doet.
Wat het nog mooier maakt, is dat het netwerk niet stopt bij familie of zelfs bij de eigen soort. Een spar en een berk, die niets met elkaar te maken lijken te hebben, kunnen via hetzelfde schimmelnetwerk voedingsstoffen uitwisselen. In de zomer, als de berk volop blad heeft en overschot produceert, stroomt er suiker naar de spar. In het vroege voorjaar, als de spar als eerste weer groeit en de berk nog kaal is, gaat het net zo goed de andere kant op. Geen van beide houdt bij hoeveel de ander geeft. Er wordt gegeven wanneer er iets te geven valt, en ontvangen wanneer dat nodig is.
De zwakkeren dragen
Het is misschien wel het meest ontroerende voorbeeld van de verbondenheid van bomen: wat er gebeurt met zieke of stervende bomen. Een boom die is aangevreten door ziekte, of te weinig licht krijgt om zichzelf staande te houden, wordt door het netwerk soms jarenlang bijgevoed door de bomen om hem heen. Onderzoekers hebben omgevallen boomstronken gevonden die al jaren dood leken, maar van binnen nog groen en levend weefsel bleken te bevatten. Ze waren gevoed door wortels die niet eens meer van hemzelf waren.
Een bos rekent zijn zwaksten dus niet af op wat ze nog kunnen bijdragen. Het draagt ze mee. Niet uit berekening, maar omdat het geheel sterker is als niemand er alleen voor komt te staan.
Dat is misschien wel de meest concrete, aardse omschrijving van wat mensen bedoelen als ze het hebben over ergens bij willen horen. Niet gezien worden om wat je oplevert, maar gedragen worden ook als je even niets te bieden hebt.
Wat het bos ons wil vertellen
Verbondenheid is dus geen gevoel dat je overkomt, en al helemaal geen gevoel dat je moet najagen. Het is iets wat je doet. Het is de suiker die je doorgeeft aan wie er op dat moment minder heeft. Het is er zijn voor een ander zonder dat er iets tegenover hoeft te staan. Het is iemand dragen, ook als diegene weinig terug kan geven.
Het mooie van bomen is dat ze hier geen moment over nadenken. Ze zijn gewoon. En juist daarin schuilt de les. Een boom sluit zich niet af omdat hij ooit is beschadigd, of achtergelaten door een buurboom die verdween. Voor ons is dat maar al te herkenbaar, die neiging om de volgende keer wat voorzichtiger te zijn, om wat minder te geven. Maar een boom kent die aarzeling niet. Hij ontvangt en geeft zonder wantrouwen of angst. Misschien is verbondenheid daarom geen bestemming die we ooit bereiken, maar een manier van leven. Elke keer dat we iets van onszelf doorgeven aan een ander, hoe klein ook, houden we het netwerk in stand waar we uiteindelijk allemaal van leven.
