Laten we het nog even over volkstuinen hebben.
Een paar jaar geleden had ik, met dezelfde persoon, ook al een volkstuin. Niet die van het vorige artikel, een andere. Ik was, met terugwerkende kracht, duidelijk een recidivist in het opzoeken van situaties die mij niets dan verbazing zouden opleveren.
Het was een mooie tuin. Ik was er trots op. En op een dag ontdekte ik een paar kleine plantjes die ik eerder niet had opgemerkt. Brandnetels, maar dan de elegante, rechtopstaande variant die eruitziet alsof hij weet wat hij doet. Ik was verheugd. Brandnetels zijn namelijk puur goud voor je bodem. Ze verrijken de grond met stikstof, kalium, ijzer en magnesium. Je kunt er brandnetelgier van maken, een natuurlijke meststof die je groenten sterker maakt. Je trekt er lieveheersbeestjes mee aan, vlinders, bijen. En als je ze plukt met handschoenen, zet je er een kopje thee van.
Een paar plantjes. Een paar kleine, bescheiden, bodemverbeterende plantjes.
De voorzitster dacht daar anders over.
Ze stond bij ons tuinpad met de uitdrukking van iemand die zojuist een lijk heeft ontdekt. “Dat moet weg,” zei ze geschokt. Ik legde uit wat brandnetels doen. Ik gaf een prachtige speech over het belang van dit wonder.
Het waren een paar plantjes die je met een vergrootglas moest zoeken. Ik herhaal dit, omdat ik wil dat je dit goed tot je laat doordringen. Ik zou ze niet laten woekeren, ik zou dankbaar gebruik maken van de voordelen.
Ze keek me aan zoals mensen kijken naar iemand die net heeft beweerd dat zijn auto ook eigenlijk best goed rijdt zonder remmen.
Ik heb het conflict weten te bezweren. De brandnetels gingen. De voorzitster was tevreden. En ik stond daar in mijn bodemverbeterende-plantjes-loze tuin en dacht: dit is een beetje raar. Daarom pakte ik, in navolging van de brandnetel, mijn spullen en kwam nooit meer terug.
Maar dit, zo heb ik inmiddels geleerd, was absoluut het topje van een ijsberg. Een heel kleine ijsberg zelfs. Een ijsklontje eigenlijk, bovendrijvend op een oceaan van verbijstering.
Volkstuinen worden in de verbeelding voorgesteld als vredige plekken. Je ziet het vast voor je: mensen die gelukzalig in de aarde aan het wroeten zijn, wuivende lupines op de achtergrond, het zachte geluid van water uit een gieter. Alles is goed.
De werkelijkheid is iets anders.
Volkstuinen zijn namelijk, als je er goed naar kijkt, een van de meest fascinerende broedplaatsen van menselijk conflict die onze samenleving kent. Niet omdat mensen er slecht zijn, maar omdat mensen er, op een paar honderd vierkante meter grond, plotseling van alles worden.
Ze worden tuinier, ja. Maar ook bestuurslid, buurman, rivaal, rechter, beschuldigde, aanklager, getuige, benadeelde partij en soms, in uitzonderlijke gevallen, explosievengebruiker.
De meest voorkomende volkstuinconflicten gaan, als je ze van een afstandje bekijkt, over dingen die van buitenaf volkomen irrelevant lijken. Mag er een vuurkorf staan? Hoe hoog mag een schuurtje zijn? Wie heeft er recht op de pomp? Is dat perceel netjes genoeg? Wie heeft er stiekem de rand van mijn pad gemaaid, en was dat een daad van vriendelijkheid of territoriale agressie?
Rechtbankverslagen over volkstuinkwesties lezen als het scenario van een film die niemand zou geloven. In Lelystad belandde volkstuinvereniging ‘Ons Genoegen’ – de naam alleen al – voor de rechter nadat een groep leden het zittende bestuur had geschorst, zichzelf had ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en de bankmachtiging had ingetrokken, waarna de rechter moest vaststellen dat dit allemaal niet volgens de statuten was verlopen. Een volkstuin van honderd leden. Met een eigen coup.
In Amsterdam diende een geroyeerd aspirant-lid een kort geding in omdat hij zijn tuinhuisje niet wilde verlaten. In andere zaken volgen beschuldigingen van machtsmisbruik, vriendjespolitiek, intimidatie, onterechte royementen en autoritair bestuur elkaar op met de regelmaat van courgettes in augustus. Iedereen die weleens een volkstuin heeft gehad, weet dat courgettes in augustus werkelijk niet te stoppen zijn.
Deskundigen die zich bezighouden met conflictdynamiek wijzen op iets opmerkelijks: de ruzies gaan eigenlijk zelden over de dingen waarover ze officieel gaan. De vuurkorf is geen vuurkorf. Het schuurtje is geen schuurtje. Het gaat over erkenning, autonomie, status, invloed. Over wie hier iets te zeggen heeft en wie niet. De volkstuin wordt, voor mensen die er jarenlang werk en ziel in stoppen, een verlengstuk van wie ze zijn. En wie hun brandnetels aanvalt – dit zeg ik nu met volledige overtuiging – valt hen aan. Nee hoor, grapje, maar zo denken sommige mensen echt.
Maar dan de escalatie.
Nederland heeft een explosieprobleem. Dit klinkt alsof ik van onderwerp verander, maar dat doe ik niet. Ruim de helft van die aanslagen komt voort uit wat de politie droogjes omschrijft als ‘huis-tuin-en-keukenconflicten’. Zakelijke ruzies. Burenruzies. Relatieconflicten. En: volkstuinbestuurders die ruzie met elkaar hadden, waarna iemand een cobra onder de auto van een ander gooide.
Ik wil dit even laten bezinken.
Twee mensen. Een volkstuinvereniging. Onenigheid over – mogen we aannemen – iets dat begon met de financiën, of de pomp, of de hoogte van een schuurtje, of misschien wel drie brandnetels.
Ergens in die spiraal van oplopende frustratie, van vergaderingen die uitliepen, van brieven die niet werden beantwoord, van het gevoel dat niemand luisterde, van: dit is toch niet normaal, besloot iemand dat de logische volgende stap een explosief onder een auto was.
Op een volkstuinvereniging.
Tussen de courgettes.
Ik moet hier niet om lachen. Of toch een klein beetje. Maar vooral omdat ik verbijsterd ben, en ik denk dat verbijstering de enige gepaste reactie is.
Want er zit iets in dit verhaal dat groter is dan grappig. Volkstuinen zijn niet toevallig conflicthaarden. Ze zijn het omdat mensen er iets vinden wat ze in de rest van hun leven misschien missen: een plek die van hen is. Een stukje aarde dat ze met hun eigen handen hebben bewerkt. Een plek waar ze beslissen. Waar ze tellen. Waar hun inspanning zichtbaar is in de vorm van tomaten, bonen, en ja, soms zelfs drie kleine brandnetels die de bodem herstellen.
Precies die diepe verbondenheid maakt mensen kwetsbaar voor conflict, volgens experts. Kritiek op de tuin voelt als kritiek op de persoon. Een regel over de hoogte van schuurtjes voelt als een aanval op autonomie. Een royement voelt als verbanning. En voor sommigen, een enkeling, voelt het uiteindelijk als iets waarvoor een cobra gerechtvaardigd is.
Dit is natuurlijk niet goed. Dit is ook niet normaal. Maar volgens experts is het wel begrijpelijk, in die treurige, herkenbare zin waarop menselijk gedrag altijd ergens begrijpelijk is als je ver genoeg terugkijkt naar de oorzaak.
Er is nog iets dat ik niet onbesproken wil laten, en dat is de machtsstructuur.
Volkstuinverenigingen hebben besturen. Dat is logisch, iemand moet de sleutels beheren, de contributie innen en de statuten bewaken. Maar er is iets bijzonders aan de macht die zo’n bestuurspositie met zich meebrengt, en wetenschappers hebben er zelfs een naam voor: de petty tyrant. De kleine tiran. Petty tyranny, zo stellen onderzoekers, ontstaat uit een samenspel van persoonlijke eigenschappen en situationele omstandigheden: iemand die gevoelig is voor status, gecombineerd met een structuur die weinig tegenwicht biedt en veel ruimte laat voor willekeur. Het resultaat is gedrag dat wordt omschreven als arbitrair, kleinerend, onbeschaamd zelfverheffend, en afwijzend tegenover ieder initiatief dat niet van henzelf afkomstig is.
Het is iemand die beschikt over een bescheiden hoeveelheid macht over de kleur van een tuinhek en de vraag of jouw perceel netjes genoeg is. Die macht wordt gekoesterd als een zeldzame schat.
Dit klinkt als een karikatuur. Het is geen karikatuur.
Want volkstuinverenigingen bieden, als je er goed over nadenkt, de perfecte voedingsbodem. De belangen zijn laag genoeg dat niemand van buiten ingrijpt. Het is immers maar een volkstuin. Maar voor de mensen met een tuin of in het bestuur zijn de belangen hoog genoeg dat ze zich er volledig aan overgeven. Er zijn geen aandeelhouders, geen raad van bestuur, geen HR-afdeling die een klachtenprocedure start. Er is alleen het bestuur, de algemene ledenvergadering, en de grond.
Maar laten we eerlijk zijn: het bestuur staat er ook niet voor niets. Want de leden – en ik zeg dit met de nodige genegenheid voor iedereen die ooit een schop heeft vastgehouden – kunnen er ook wat van.
Rotterdam heeft er een officiële handreiking voor opgesteld: een stappenplan voor volkstuinbesturen over hoe om te gaan met wat het document omschrijft als het ‘lastige lid’. Niet als theoretisch scenario, maar als praktische noodzaak, want er zijn leden die structureel hun tuin verwaarlozen, de regels negeren, of hun buren het leven zuur maken op manieren die variëren van milde passieve agressie tot actieve vijandigheid. Er zijn leden die op de ALV bij elk agendapunt een punt van orde roepen. Er zijn leden die bezwaar maken tegen de buurmans bijenkast, de geur van iemands composthoop, de manier waarop een ander zijn bonenstokken plaatst. Er zijn leden die al veertig jaar op hetzelfde complex zitten en inmiddels de overtuiging hebben ontwikkeld dat de rest van de wereld er is om hen voor de voeten te lopen.
En dan is er nog een categorie die een eigen vermelding verdient: de klokkenluider. De man of vrouw die heeft ontdekt dat de btw-afdracht mogelijk niet klopt, die de boekhouding heeft doorgespit, die een website heeft opgezet om andere gedupeerde leden te bereiken, en die vastbesloten is om hier – op dit volkstuincomplex, met de groenten en de lupines op de achtergrond – gerechtigheid te laten zegevieren. Juridisch, moreel, historisch. Ook al kost het hem zijn tuin, zijn vriendschappen en mogelijk zijn geloof in de mensheid.
Die mensen zijn ook niet gek. Ze zijn alleen, net als iedereen op een volkstuin, gewoon heel erg betrokken.
Maar wat ik het meest verbijsterende vind – en hier kom ik dan toch bij het punt dat me eigenlijk nooit loslaat – is dat volkstuinen officieel bedoeld zijn als ontspanning.
Buitenlucht. Aarde onder je nagels. Het ritme van de seizoenen. Fluitende vogels boven je hoofd terwijl je in alle rust je gewassen verzorgt. Aarden, zoals dat tegenwoordig heet. De wereld loslaten. Tot jezelf komen.
En dat is ook precies wat er zou moeten gebeuren. Dat is het idee. Tuinieren als tegenwicht voor de drukte, de schermen, de vergaderingen, het gedoe. Je handen in de grond, je hoofd leeg, een kopje thee van je eigen munt als je ’s avonds op de bank zit.
In plaats daarvan krijg je coups, rechtszaken, royementen, cobra’s onder auto’s, en iemand die mij indringend aankeek vanwege een paar brandnetels.
Ik sta nu op mijn eigen balkon. Voor mij geen volkstuinen meer. De courgette staat in een pot. Hij vraagt niets van mij, heeft geen mening over mijn tuinstijl, en heeft nog nooit een vergadering bijeengeroepen. De vogels fluiten gewoon. De basilicum groeit. En ik ben, voor het eerst in lange tijd, werkelijk een beetje ontspannen.
