
Er was eens een bron, diep in het hart van een woud waar de bomen zo oud waren dat ze niet meer ruisten, maar zuchtten. Het water in de bron was zwart als git en volkomen stil, alsof het zelf niet durfde te bewegen. Wie er langs liep, liep sneller. Wie er ’s nachts van droomde, werd wakker met klamme handen. Want boven de bron, dat wist iedereen, zweefden twee gezichten.
Het ene gezicht was uitgerekt van schrik, de ogen wijd open, de mond een stille schreeuw. Het andere was ingevallen van verdriet, met de mondhoeken naar de aarde getrokken alsof zelfs haar gezicht niet meer de moeite nam om iets vast te houden. Niemand wist hoe lang ze daar al hingen. Niemand wist hun namen, al noemde iedereen ze de Verschrikkelijke en de Treurende. De wezens uit de dorpen eromheen zeiden dat wie te lang naar hen keek, voorgoed bang of voorgoed verdrietig zou blijven. Daarom liep niemand er graag langs, en wie echt niet anders kon, deed het met de ogen dicht.
Maar er was iemand die er wél graag zat. Op een grote, leerachtige paddenstoel aan de rand van het water zat een klein wezen, met ogen zo bruin als kastanjes. Ze heette Seraphine, en ze was zo oud als de bron zelf, misschien ouder. Niemand had haar er ooit zien aankomen. Ze was er gewoon, altijd, zoals de bron er altijd was, en de twee gezichten erboven.
Seraphine was geen wachter in de zin dat ze iemand tegenhield. Ze was eerder een getuige. Ze zag alles wat er bij de bron gebeurde, en er gebeurde meer dan de dorpelingen dachten. Want wie moedig genoeg was, of wanhopig genoeg, kwam hier uiteindelijk terecht.
Op een avond hoorde Seraphine iets naderen dat de grond deed schudden. Het wezen dat woede was geworden. Het kwam met gekraak van takken en het geluid van iets dat zijn eigen gewicht niet meer vertrouwde. Groot was ze, met ogen die brandden als kooltjes onder een dikke wenkbrauwlijn. Ze had iets trolachtigs, iets dat ooit misschien zachter was geweest, maar nu was overwoekerd door iets hards. Waar ze liep, boog het gras zich weg, alsof zelfs het gras haar niet wilde aanraken.
Ze bleef staan bij de bron en keek naar beneden, naar het zwarte water, naar de twee gezichten die zachtjes op en neer deinden in de lucht.
“Eindelijk,” gromde ze, met een stem die klonk als stenen die tegen elkaar schuurden. “Eindelijk ben ik er.”
Seraphine, op haar paddenstoel, verroerde zich niet. Ze had het wezen al zien aankomen vanaf de heuvel, en ze had gewacht.
“Je bent gekomen om iets te halen,” zei Seraphine, met een stem zo zacht dat je hem bijna kon missen tussen het geritsel van de bladeren. “Of om iets kwijt te raken.”
Het grote wezen keek naar beneden, alsof ze nu pas merkte dat ze niet alleen was. Haar ogen vernauwden zich.
“Wie ben jij, klein ding?”
“Ik ben Seraphine. Ik zit hier al lang. En jij?”
De trolachtige gaf geen naam. In plaats daarvan spuwde ze op de grond, en waar het speeksel viel, verschroeide het gras.
“Noem me niet bij een naam,” zei ze. “Namen zijn voor wie nog iemand is. Ik ben niemand meer. Ik ben wat er overblijft als je alles hebt weggenomen wat iemand ooit was.”
Seraphine kantelde haar hoofd, zoals een merel dat doet wanneer ze naar een worm luistert onder de grond. “Wie heeft je dat aangedaan?”
“Iedereen,” zei het wezen, met een bulderende stem. “Zij die altijd het eerst werden geholpen. Zij die nooit hoefden te smeken om gezien te worden. Degenen die beslisten wie ertoe deed en wie kon wachten, en die telkens weer over mij heen keken alsof ik er niet was. Ze hebben me hierheen gedreven, tot dit-” ze wees naar haar eigen gezicht, haar krommende rug, haar klauwachtige handen “-en nu ben ik hier om er een einde aan te maken.”
“Een einde aan wat?”
De grote gestalte wees naar de twee gezichten boven het water. “Aan hén. Ik heb de verhalen gehoord, kleintje. Wie in deze bron afdaalt en de geesten confronteert, kan zich voor altijd van hen bevrijden. Angst en Verdriet, weg voor eeuwig. Geen steek meer als ik zie dat een ander wel wordt gezien en ik niet. Geen krimp meer als ik merk dat ik niet meetel. Ik wil nooit meer bang zijn dat ik word overgeslagen. Ik wil nooit meer treuren om het feit dat ik onzichtbaar ben. Ik wil onaantastbaar worden. Zoals steen. Zoals ik nu al bijna ben.”
Seraphine zweeg even. Boven de put zweefden de geesten met dezelfde intensiteit als altijd, onaangedaan door het dreigement van de trol. “Weet je wat je vraagt?” zei ze uiteindelijk.
“Ik weet precies wat ik vraag.”
“Dat betwijfel ik,” zei Seraphine, zonder venijn. “Maar ik zal je niet tegenhouden. Ik ben geen slot op een deur. Ik ben alleen degene die toekijkt wanneer wezens beslissen wie ze willen zijn.” De trolachtige liet een geluid horen dat op een lach leek, maar dan een die pijn deed om te horen. “Let maar goed op, kleintje. Dit is het einde van je bron.” Het wezen liet zich op haar knieën zakken bij de rand van de bron, zodat haar gezicht vlak boven het water hing. Ze keek naar de zwevende gestalten.
Het gezicht dat uitgerekt was van schrik opende langzaam de mond, en er kwam geen schreeuw uit, maar een stem, ijl als tocht door een kier. “Je bent gekomen om me te doden,” zei Angst.
“Ja,” zei de trolachtige zonder aarzelen.
“Waarom?”
“Omdat je me elke dag influistert dat ik word overgeslagen. Omdat je me laat zien dat een ander wel wordt opgemerkt, wel wordt geholpen, en dan fluistert dat ik dat nooit zal zijn. Omdat je me hebt laten geloven dat ik altijd onzichtbaar zou blijven, tot ik zo hard werd dat niemand me meer kon negeren.”
Het gezicht van Angst vertrok, alsof het pijn deed die woorden te horen. “Ik heb je nooit laten geloven dat je onzichtbaar bent,” zei ze. “Ik heb alleen gewaarschuwd. Dat is alles wat ik doe. Ik zei niet: kijk, een ander heeft meer dan jij. Ik zei: pas op, jij dreigt over het hoofd gezien te worden. Dat is een ander bericht. Het eerste maakt van de ander je vijand. Het tweede wijst je op iets dat je zelf kunt doen. Je laten horen, je laten zien, voordat de beslissing valt zonder jou erin mee te nemen.”
“Een mooie leugen,” gromde de trolachtige.
“Het is geen leugen,” zei Angst. “Denk maar eens met me mee. Wanneer voelde je me het scherpst? Was dat niet altijd op het moment dat er ergens een keuze werd gemaakt over wie geholpen zou worden, en jij bang was dat die keuze weer langs jou heen zou gaan? Ik kwam niet om je jaloers te maken op wie wel gezien werd. Ik kwam om je te laten voelen hoe erg het is om over het hoofd gezien te worden, zodat je ervoor zou vechten om dat niet nog een keer te laten gebeuren. Maar jij hebt die angst niet gericht op het gezien worden. Jij hebt hem gericht op degenen die toevallig wel gezien werden. En dat is niet hetzelfde.”
De trolachtige zei niets. Haar ogen, die kooltjes van woede, flakkerden even, als een kaars in de tocht.
Toen bewoog het tweede gezicht, het gezicht vol verdriet, en het sprak met een stem als een rivier die te lang heeft gewacht om te stromen. “En ik dan?” zei Verdriet. “Waarom wil je van mij af?”
“Omdat jij me leeg maakt,” zei de trolachtige, en voor het eerst trilde haar stem. “Omdat jij me laat voelen dat ik niet meetel, elke dag opnieuw, alsof het voor het eerst is. Ik ben het beu om te treuren om het feit dat anderen worden gezien en ik niet, zonder dat ik ooit begrijp waarom. Ik wil niet meer voelen dat er een gat in me zit waar erkenning had moeten zitten.” “Dat gat,” zei Verdriet zacht, “is niet van mij gemaakt. Ik heb het niet gegraven. Ik ben alleen degene die er iedere keer weer naast komt zitten, om je te laten weten dat het er is. Niet omdat jij minder waard bent, maar omdat jij, terecht, wilde meetellen. Ik treur niet om wat je niet bezit. Ik treur om het feit dat je niet gezien werd toen je het nodig had. Als ik er niet was, zou je doen alsof het je niets kon schelen dat je onzichtbaar was. Zou je jezelf wijsmaken dat je het niet verdiende om gezien te worden. En dan zou je nooit meer kunnen hopen om ooit wel gezien te worden, want daarop hopen betekent altijd dat je ook opnieuw genegeerd kunt worden. Ik ben niet de vijand van je verlangen om mee te tellen. Ik ben het bewijs dat dat verlangen terecht was.”
De trolachtige balde haar vuisten, en de aarde onder haar knieën kraakte. “Mooie woorden,” siste ze. “Maar ik heb genoeg gevoeld. Ik wil niet meer gewaarschuwd worden en ik wil niet meer herinnerd worden aan het feit dat ik niet meetel. Ik wil alleen nog… rust. Steen wordt nooit over het hoofd gezien. Steen hoeft niet gezien te worden om te bestaan.”
“Steen leeft ook niet,” zei Seraphine vanaf haar paddenstoel, zo kalm dat het bijna wreed klonk. “Steen wordt niet geraakt, maar het raakt ook nooit iemand anders aan. Is dat wat je wilt worden?”
De trolachtige draaide zich met een ruk om naar Seraphine, haar punttanden ontbloot. “Jij hebt makkelijk praten, klein ding. Jij hebt nooit gevoeld wat ik heb gevoeld.”
“Misschien niet,” zei Seraphine. “Maar ik heb heel lang gekeken naar wie hier kwamen. En weet je wat ik heb gezien? Je bent niet de eerste met dit doel. Iedereen die hier komt om Angst en Verdriet te doden, komt hier omdat ze eigenlijk iets anders zijn geworden. Woede. En vaak sluipt woede binnen via een deur die nog onschuldiger lijkt: afgunst. Afgunst is makkelijker dan angst, want afgunst wijst naar buiten, naar wie het wel heeft, wel gezien wordt, wel geholpen wordt. Angst en verdriet wijzen naar binnen, naar de wond zelf. Dat jij niet gezien werd, dat jij niet meetelde. Die wond onder ogen zien is veel zwaarder dan boos worden op een ander. Dus verpakken wezens hun angst en hun verdriet eerst in afgunst, en als de afgunst niet genoeg voldoening geeft, groeit ze door tot woede, omdat het makkelijker is om een ander de schuld te geven dan om onder ogen te zien wat je zelf voelt.”
“Ik ben niet afgunstig,” gromde de trolachtige, en het geluid dat ze maakte klonk als een instortende grot.
“Wanneer werd je zo?” vroeg Seraphine, negerend wat ze net gezegd had. “Je was niet altijd zo. Vertel het me. Vertel het hén.” Ze wees naar de twee zwevende gezichten.
Lange tijd zei de trolachtige niets. Het water in de bron rimpelde zachtjes, alsof het wachtte. Toen, met een stem die ineens veel kleiner klonk dan haar reusachtige lijf, begon ze te vertellen.
“Ik kom uit een dorp aan de rand van een vallei,” zei ze. “Er kwam een jaar dat de rivier buiten haar oevers trad en alles meesleurde wat we hadden opgebouwd. De schuren, de stallen, het zaaigoed voor het volgende jaar. Aan de andere kant van de vallei lag een ander dorp, ook geraakt door het water. De raad die over de vallei waakte, had maar beperkte voorraden om uit te delen. Graan, dekens, vee om opnieuw te beginnen. Ze kozen. Het andere dorp werd eerst geholpen, omdat zij niets meer hadden. Wij moesten wachten. En wachten. Er kwamen boden langs die beloofden dat wij aan de beurt zouden komen, en telkens was er iemand anders eerder aan de beurt dan wij.”
De twee gezichten boven het water bewogen dichter naar haar toe, luisterend.
“In het begin dacht ik: het is maar uitstel,” ging ze verder. “Maar de winters werden kouder en de beloften bleven beloften. Ik zag hoe de raad de boden van het andere dorp met alle egards ontving, en de onze liet wachten voor de poort. Ik begon me af te vragen wat er mis was met ons, dat we blijkbaar niet de moeite waard waren om als eerste geholpen te worden. Was ons verdriet minder echt? Telden onze kinderen minder? Ik was bang, elke keer dat er weer een besluit viel, dat we wéér zouden worden overgeslagen, zonder dat iemand ons ooit kwam uitleggen waarom. En ik treurde, niet om het graan of het vee op zich, maar om het feit dat niemand ons leek te zien staan, jaar na jaar, terwijl we net zo hard om hulp riepen als de anderen.”
Haar stem brak, als ijs dat eindelijk toegeeft aan de lente.
“En op een dag hield ik het niet meer uit,” zei ze zachter. “Ik wilde niet meer bang zijn voor het volgende besluit dat weer zonder ons zou vallen. Ik wilde niet meer treuren om het gevoel onzichtbaar te zijn. Dus begon ik hén de schuld te geven. Niet de raad die koos of het systeem dat ons telkens weer oversloeg, maar hén, het andere dorp. Zij die wel werden gezien, werden in mijn hoofd ‘zij die ons hadden afgenomen wat van ons was’. Het was makkelijker om jaloers te zijn op wie wel hulp kreeg, dan om de vraag onder ogen te zien die me het meest pijn deed. Waarom zagen ze ons niet? In mijn woede stelde ik die vraag nooit. Woede wees alleen naar de buren en vulde daarmee het gat op waar erkenning had moeten zitten. En ik liet de woede groeien, en groeien, tot ik dit werd.” Ze gebaarde naar haar eigen gebroken lichaam. “Iets dat zich door niemand meer over het hoofd laat zien.”
Er viel een stilte die zwaarder was dan alle stiltes daarvoor.
“Dan begrijp ik het nu,” zei Angst zachtjes. “Ik probeerde je te waarschuwen dat jullie dreigden te worden overgeslagen, dat je moest aankloppen, moest blijven roepen, moest eisen dat de raad ook naar jullie keek, lang voordat het te laat was. Je hebt me toen niet gehoord als een raadgever, maar als een aanklager. Ik zei: kijk uit, jullie dreigen onzichtbaar te blijven voor wie beslist. Jij hoorde: het andere dorp heeft van jullie gestolen. Dat is niet wat ik zei. Ik wees naar de deur waar je nog niet hard genoeg op had geklopt, niet naar de buren aan de overkant.”
“En ik,” zei Verdriet, met tranen die als regen langs haar wangen dropen en in het zwarte water vielen zonder een rimpeling te maken, “ik kwam elke keer weer naast je zitten, niet om je te kwellen, maar omdat het onrecht dat je voelde het waard was om betreurd te worden. Elke keer dat je huilde om het wachten, om het over-het-hoofd-gezien-worden, erkende je dat jullie evenveel hulp verdienden als wie dan ook. Maar jij zag mijn aanwezigheid als een straf, in plaats van als bewijs dat je gelijk had om te voelen dat het niet eerlijk was. Je hebt mij verward met het andere dorp zelf. Ik ben niet zij die wel gezien werden. Ik ben het gevoel dat overblijft wanneer je zelf niet gezien bent, en dat gevoel wijst naar wie koos, niet naar wie gekozen werd.”
De trolachtige – wier naam we nu misschien wel mogen kennen, want ze fluisterde hem, voor het eerst in jaren, tegen het water – heette Murna. Ze had die naam begraven onder stenen, maar nu kwam hij terug, klein en breekbaar.
“Als ik jullie niet vernietig,” zei Murna schor, “moet ik jullie dan blijven voelen? Voor altijd? De angst dat ik weer achterblijf? Het verdriet om wat ik nooit zal hebben?”
“Niet voor altijd, of op dezelfde manier,” zei Seraphine, die dichterbij was gekomen. “Angst wordt zachter als je haar serieus neemt in plaats van haar te negeren. Verdriet verandert van vorm. Het wordt niet minder, het blijft bij je, zoals een oud gewaad dat past bij wie je bent geworden. Maar als je ze wegduwt, als je ze verandert in woede tegen wie toevallig meer heeft, dan blijven ze eeuwig hetzelfde, want een gevoel dat je niet doorleeft, kan nooit voorbijgaan. Woede is een kamer zonder ramen. Angst en verdriet, als je ze toelaat, hebben tenminste een deur.”
Murna keek naar het water. Het zwarte oppervlak leek nu minder dreigend, meer als een spiegel die eindelijk bereid was iets te tonen. “Als ik jullie dood,” zei ze tegen de twee geesten, “voel ik nooit meer angst om over het hoofd gezien te worden. Nooit meer verdriet om niet mee te tellen. Zou dat niet… vrijheid zijn?”
“Vraag jezelf iets anders,” zei Angst. “Als je nooit meer angst voelt om genegeerd te worden, hoe zul je dan ooit weten wanneer je moet aankloppen, wanneer je je stem moet verheffen, wanneer je jezelf en de jouwen zichtbaar moet maken voor wie beslist? Als niets je meer waarschuwt, zul je gewoon laten gebeuren dat je wordt overgeslagen, keer op keer, zonder het zelfs nog te merken. Het enige wat je dan nog voelt is een alles verterende woede. Is dat vrijheid, of is dat overgave?”
Murna sloot haar ogen. Het duurde lang. Toen deed ze iets dat niemand – niet Seraphine, niet de geesten, misschien Murna zelf niet – had verwacht. Ze huilde. Ze huilde zoals een berg instort, met een geluid dat door het hele woud galmde, en de tranen die uit haar ogen vielen waren niet van water, maar van iets ouds en donkers, als gesmolten leisteen, en waar ze op de grond vielen, brak de harde korst open en welde er groen mos uit tevoorschijn. Ze huilde om alle oogsten die te karig waren geweest. Ze huilde om de jaren die ze woedend had doorgebracht in plaats van verdrietig, alsof woede haar tijd had gestolen die ze aan het zoeken naar een andere weg had moeten besteden. Ze huilde van angst. Angst dat ze te lang had gewezen naar het andere dorp in plaats van naar wat er in haar eigen handen lag om te veranderen. En te midden van dat huilen voelde ze, voor het eerst in jaren, dat ze niet alleen was met haar pijn. De twee geesten bogen zich naar haar toe, niet om haar te troosten met woorden, maar gewoon om aanwezig te zijn, zoals ze altijd al aanwezig waren geweest.
Toen de ochtend kwam, was Murna niet meer dezelfde. Haar huid was nog steeds ruw, nog steeds die van een wezen dat door veel stormen was gegaan, maar er liepen nu adertjes groen doorheen, als varens die door een rots breken. Ze was niet klein geworden, niet zacht als een lam. Ze bleef een wezen om ontzag voor te hebben. Maar de kooltjes in haar ogen waren gedoofd tot iets warmers, iets dat op een gloed leek in plaats van op vuur dat alles verteert.
Ze knielde nog altijd bij de bron. De twee gezichten zweefden er nog steeds boven, want Angst en Verdriet gaan nooit helemaal weg. Dat hadden ze zelf gezegd, en het was geen dreigement. Het was een belofte. Maar ze zweefden nu rustiger, minder verwrongen, als geesten die eindelijk gehoord waren.
“Wat nu?” vroeg Murna aan Seraphine.
“Nu ga je terug,” zei Seraphine, “naar je vallei, of naar een nieuwe, dat maakt niet uit. Je zult ooit weer bang zijn om over het hoofd gezien te worden. Je zult ooit weer treuren als je merkt dat een ander wel gehoord wordt. Dat is de prijs van willen meetellen in een wereld die niet altijd eerlijk kiest. Maar je zult het niet meer hoeven te verpakken in woede tegen wie toevallig wel gezien werd, want nu weet je wat het is en waar het echt vandaan komt.”
Murna stond op, langzaam, alsof haar lichaam nog moest wennen aan het nieuwe gewicht van haar eigen zachtheid. “Dus ik moet ze niet overwinnen,” zei ze, half tegen Seraphine, half tegen zichzelf. “Angst en verdriet.”
“Dat is niet aan mij om te zeggen,” zei Seraphine, en voor het eerst glimlachte ze, een glimlach zo subtiel als een varen die zich ontkrult. “Sommigen die hier komen, kiezen ervoor om er wel voorgoed vanaf te komen. Ze drinken het water en worden onaantastbaar. Maar ook onbereikbaar, voor altijd, voor zichzelf en voor iedereen. Ik heb ze nooit meer teruggezien in het woud, hoewel de bomen zeggen dat je ze soms hoort, ergens diep in de rotsen, waar niets meer groeit. Anderen kiezen zoals jij hebt gekozen. Ze nemen angst en verdriet mee terug het leven in, niet als vijanden, maar als twee oude, strenge vrienden die nooit liegen. Wat de juiste keuze is? Dat weet ik niet. Ik ben maar een wezen op een paddenstoel bij een bron. Ik kijk alleen toe.”
Murna keek nog eenmaal naar het water, naar de twee gezichten die haar nu bijna vriendelijk aankeken, en toen liep ze het woud in, terug naar de wereld, met haar angst en haar verdriet niet achter zich, maar naast zich, als twee metgezellen.
