Iedereen kent het wel: dat moment waarop je merkt dat er ergens onder je ribbenkast een hele optocht aan gevoelens staat te dringen om naar buiten te mogen. Onrust, frustratie, irritatie, een vage somberheid waar je de oorsprong niet eens meer van weet. Allemaal staan ze daar netjes in de rij, klaar om eruit te knallen. En dan? Dan sta jij daar, een volwassen exemplaar mens, met de vraag: en nu? Kinderen hebben dat dilemma niet. Die voelen iets en laten het gewoon gebeuren. Huilen, stampen, gillen, het hele repertoire, zonder ook maar één seconde stil te staan bij wat de buren daar wel niet van zullen denken. Ik kan daar soms behoorlijk jaloers naar kijken, als ik heel eerlijk ben.

Jaren geleden las ik een tip van iemand die zichzelf nogal verlicht noemde. Het advies klonk simpel en bijna poëtisch: ga naar een stil bos, graaf een kuiltje, schreeuw daar al je opgekropte gevoelens met volle overgave in, en gooi het kuiltje vervolgens weer dicht. Daarna sta je op, klop je de aarde van je knieën, en loop je fluitend verder alsof er niets is gebeurd. De natuur als gratis therapeut, zonder wachtlijst. Het klinkt prachtig. Tot je het in de praktijk gaat brengen, want dan ontstaat er een heel ander plaatje.

Laten we eerlijk zijn: hoe groot is de kans dat precies op het moment dat jij staat te brullen in een gat in de grond, er een wandelaar met hond voorbijkomt? Die persoon loopt natuurlijk niet onbewogen verder. Nee, die blijft staan, kijkt nog eens goed, en overweegt serieus om 112 te bellen. En dan sta jij daar, met aarde onder je nagels en tranen op je wangen, uitleg te geven waarom je zonet zo hartverscheurend stond te krijsen tegen een kuiltje. “Nee hoor, alles goed, ik was alleen even mijn gevoelens aan het begraven” is nou niet bepaald een zin die vertrouwen wekt. En dan heb ik het nog niet eens over de natuur zelf. Het is nu het einde van het broedseizoen, en ik wil toch echt niet op mijn geweten hebben dat er ergens een vogelfamilie collectief van schrik uit hun nest valt omdat ik even mijn ei kwijt moest. Kortom: aan deze methode zitten, hoe goedbedoeld ook, nogal wat haken en ogen.

Negeren dan maar? Ook geprobeerd. Werkt niet. Gevoelens negeren is een beetje als een kind negeren dat om aandacht vraagt: ze worden er niet stiller van. Integendeel. Negeer je ze, dan schreeuwen ze gewoon twee keer zo hard, tot ze letterlijk om voorrang vechten in je hoofd. En strijden tegen je gevoelens? Dat is nog veel erger. Dan voelt het alsof je gevoelens denken: oh, dus jij wilt vechten? Prima, dan gaan we er tien keer zo hard tegenaan. Je verliest gegarandeerd.

Onlangs ontdekte ik echter iets wat heel dicht bij de oplossing komt, maar het net niet helemaal is. Dat zegt eigenlijk alles over hoe dit soort dingen meestal gaan. Ik ben al jaren een trouwe fan van Linkin Park. In mijn jongere jaren schreeuwde Chester Bennington heel wat van zich af, en ik deed van harte mee, het liefst met de volumeknop helemaal naar rechts. Ik ben ook nooit gestopt met luisteren naar hun oude nummers, maar ik was op de een of andere manier vergeten hoeveel kracht daar nog in zat. Tot ik laatst de live-versie van One Step Closer, opgenomen in Texas, weer terugvond.

Wat een vondst. De songtekst begint met een aardige beschrijving van die opgekropte-gevoelens-staat: “I cannot take this anymore”. En dan die regel die telkens terugkomt: “and I’m about to break”. Tjsa. Als dat geen schot in de roos is. Dat is precies het gevoel waar dit hele verhaal om draait. Het is de staat waarin je verkeert wanneer al die opgekropte emoties nergens heen kunnen en je merkt dat je scheurtjes begint te vertonen, als een dijk die het water al een hele tijd tegenhoudt maar nu toch echt even moet overleggen met zichzelf. Chester schreeuwt dat gevoel er met volle overgave uit, en eerlijk gezegd: hij heeft nog steeds gelijk. Soms ben je gewoon “about to break”, en helpt het enorm als iemand anders dat hardop (of in dit geval: heel hard) durft te zeggen.

Maar het absolute hoogtepunt zit aan het einde. Het “shut up”-gedeelte. Daar waar Chester zich helemaal laat gaan en compleet uit zijn dak gaat richting alles en iedereen die maar tegen hem in durft te praten. Het is rauw, het is bevrijdend, het is precies wat je op je slechtste dagen ook wel zou willen schreeuwen tegen de hele wereld, of in ieder geval tegen iedereen die net op dat moment iets van je nodig heeft, terwijl jij eigenlijk al een overkokende pan bent die alleen nog maar het deksel eraf wil gooien.

Maar toch. Ook hier wringt er iets. Want ik doe mee. Met volle overgave, met alle bijbehorende gezichtsuitdrukkingen en armbewegingen, met mijn ziel en zaligheid. Alleen komt er geen enkel geluid uit mijn mond. Want buren, dunne muren en geen enkele zin om uit te moeten leggen waarom ik om half negen ’s avonds “SHUT UP! SHUT UP! SHUT UP!” aan het brullen ben. Dus daar sta ik dan: mijn mond wijd open, de ader op mijn voorhoofd gespannen, mijn lippen vormen woorden met alle overtuiging die ik in huis heb, en er klinkt… niets. Een soort interne oerschreeuw, verpakt in volledige stilte. Het ziet er ongetwijfeld hilarisch uit, mocht iemand het zien.

Dus dat is waar ik nu sta. Gevoelens, wat kunnen ze toch lastig zijn. Waren we allemaal nog maar gewoon even kind. Dan had ik nu vrijuit stampend en gillend door het leven kunnen lopen, zonder schaamte, zonder me druk te maken om de buren en zonder kuiltjes in het bos. Maar helaas, ik ben volwassen, en dus moet ik het doen met een geluidloze shut up. Misschien niet de meest indrukwekkende manier om je gevoelens te uiten, maar het is in elk geval de minst beschamende.