Elke zaterdag schrijft Rutger Otto op Nu.nl zijn column genaamd Schermtijd. Ik lees hem trouw, wat op zich al iets zegt over mijn relatie met schermen. Deze week schreef hij over Japanse producenten die hun verpakkingen zwart-wit maken. Minder verleidelijk, minder zucht naar meer. Vanwege het olietekort, maar toch. En hij stelde de vraag: wat als we dat met apps deden? Alles grijs, vlak, saai. Zou je dan nog zo graag scrollen?

Mijn brein ging er meteen mee aan de haal. Wat het overigens altijd doet. Dag en nacht, gevraagd en ongevraagd. Soms met briljante ideeën, vaker met volstrekte onzin. En de ironie ontgaat me niet, want wat ik nu ga zeggen heb ik ook van mijn brein. Dat is het met breinen: je kunt er niet omheen, je kunt er niet uit, en ze hebben altijd het laatste woord. Of denken dat ze dat hebben.

Een paar jaar geleden belandde ik op de grond. Letterlijk. Paniekaanvallen, niet van het lichte soort, maar het soort waarbij je 112 belt en daarna een beetje beschaamd naar de ambulancemedewerker kijkt die je vraagt of je wel eens stress ervaart. Een week later zat ik bij een psycholoog. Uit eigen zak betaald, want ja, tekorten, maar deze psychologen blijken verrassend veel tijd te hebben. In twee sessies legde hij me uit hoe het brein werkt. En hoe mijn brein werkt. Want ze doen het allemaal een beetje anders, maar ze hebben één ding gemeen: ze zijn dol op dopamine.

Laten nu precies bepaalde apps, kleurtjes op verpakkingen en de geur van verse pizza zo ontworpen zijn dat je hersenen denken: ja, dit, meer hiervan! Keer op keer. Tot je eigenlijk gewoon een beetje verslaafd bent, een beetje onbewust gegijzeld, en dat zelf niet eens doorhebt. Want waarom zou je? Het voelt niet als een gevangenis. Het voelt als een beloning.

Ik was zelf geen haar beter. WhatsApp, cherry cola, Netflix, pizza – ik verslond het allemaal. Maar mijn brein had niet alleen over dat soort dingen de leiding. Ook over hoe ik dacht (alles is eng), hoe ik me door het leven bewoog (probeer het maar niet, dat lukt je toch niet), en ga zo maar door. Het was druk daarbinnen. Voller dan een winkelcentrum op de laatste koopzondag voor kerst, en ongeveer even chaotisch.

Op aanraden van die psycholoog begon ik mijn gedachten te observeren. Niet te veroordelen, niet te geloven ook, maar gewoon van een afstandje toekijken. En ik barstte regelmatig in lachen uit. Wat een volslagen nonsens produceerde dat ding de hele dag. Alsof er een enigszins hysterische radiocommentator in mijn hoofd woonde die overal rampen in zag en alles met grote urgentie omriep. En nú, luisteraars… gevolgd door breaking news. Althans, zo voelde het, terwijl het vaak ging om bijvoorbeeld een e-mail die ik nog niet had beantwoord – al drie uur niet, rampzalig. Of de buurman die me niet gedag had gezegd, wat waarschijnlijk betekende dat ik iets had gedaan, maar wat, en wanneer, en hoe erg eigenlijk?

Na twee sessies was ik geen slaaf meer. Nou ja, minder. Dat is eerlijker. Ik was niet ineens een toonbeeld van innerlijke rust. Ik raakte nog steeds overtuigd dat een onbeantwoorde e-mail het begin van mijn maatschappelijke ondergang betekende. Alleen herken ik het nu sneller als een ietwat overdreven productie van mijn brein. De hysterische radiocommentator woonde er nog steeds, alleen stond het volume iets zachter. En belangrijker: ik geloofde hem niet meer automatisch.

Als proef op de som installeerde ik weer social media. Binnen een paar maanden was ik er klaar mee. Want elke dag dezelfde comments, hetzelfde soort posts, hetzelfde lichte gevoel van leegte achteraf. Alsof je een hele zak chips hebt leeggegeten en je tegelijk te vol en teleurgesteld voelt. Eten idem. Ik ontdekte dat vers eten gewoon veel lekkerder is. Nu proef ik de chemische smaak van andere dingen en begrijp ik werkelijk niet meer dat ik dat ooit normaal vond. Ik eet nu van mijn eigen balkon en een voedselbos in wording, en dat is pas echt genieten. Al smaakt een tomaat van jezelf ook gewoon beter omdat je er drie weken naar hebt staan kijken.

Terug naar die Japanse verpakkingen. Zwart-wit, zodat je minder wilt. Slim. Maar uiteindelijk zit het venijn niet in de kleur van de verpakking. Het zit in het brein dat ernaar kijkt. Datzelfde brein dat je ook kan vertellen wanneer genoeg genoeg is, als je het even de ruimte geeft om aan het woord te komen, in plaats van het te verdoven met nog een shotje dopamine.
Wat een vreemde gedachte is dat eigenlijk.