Denken of niet denken

Ik heb dagelijks dezelfde discussie met Henk Janssen, een goede vriend. En met dagelijks bedoel ik ook echt dagelijks.
Inmiddels zijn we op het punt gekomen dat we elkaars argumenten kunnen dromen. Sterker nog, soms formuleer ik zijn standpunt al voordat hij het heeft uitgesproken en doet hij hetzelfde bij mij. Dat weerhoudt ons er overigens niet van om de discussie gewoon opnieuw te voeren.
Hij vindt namelijk dat we veel te veel denken.

Volgens hem zouden we mogen vertrouwen op ons weten. Op ons gevoel. Op dat stille stukje in onszelf dat vaak al lang weet wat waar is voordat ons hoofd zich ermee gaat bemoeien. Daar heeft hij absoluut een punt.
Ik heb ook weleens meegemaakt dat ik zo druk bezig was met bedenken wat ik ergens van vond, dat ik vergat te voelen wat ik er eigenlijk van vond. Gedachten kunnen soms een rookgordijn worden. Je kunt jezelf volledig vastdenken in aannames, verwachtingen, oude verhalen en scenario’s die nooit zullen plaatsvinden.

Soms is het inderdaad verstandig om even stil te zijn. Om niet nog een gedachte op een gedachte te stapelen. Om gewoon te voelen.
Maar dan komt het tweede deel van de discussie. Want ik houd van denken.
Niet van piekeren. Niet van eindeloos rondjes draaien in mijn hoofd. Niet van dat vermoeiende malen waar je uiteindelijk geen stap verder mee komt.
Ik houd van nieuwsgierig denken. Van onderzoeken. Van verbanden leggen. Van een idee oppakken en kijken wat eronder zit.

Mijn vriend begrijpt dat ergens wel, maar tegelijkertijd ook totaal niet. Hij is ervan overtuigd dat ik mijn verhalen uit een soort bewustzijnsveld pluk. Alsof ze ergens rondzweven en ik ze opvang zodra ik stil genoeg ben. Dat klinkt overigens veel zweveriger dan hij het bedoelt. Hij bedoelt eigenlijk dat ideeën niet uit het denken komen, maar uit iets diepers. Uit intuïtie. Uit weten.

Misschien heeft hij daar gelijk in. Want ideeën verschijnen inderdaad vaak uit het niets. Je bent aan het wandelen, aan het koken of uit het raam aan het staren en ineens is er een beeld. Een scène. Een personage. Een vraag. Waar dat precies vandaan komt weet ik ook niet. Maar wat ik wel weet, is dat het werk daarna begint. Want een idee is nog geen verhaal, een idee is hooguit een deur. Daarachter liggen nog honderd andere deuren.

Dus open je stap voor stap de deuren.
Waarom doet dit personage wat ze doet?
Wat probeert ze te verbergen?
Waarom raakt deze scène me?
Wat klopt hier niet?
Wat gebeurt er als ik dit gegeven omdraai?
Welke laag zit hieronder?

Voor mij is dat geen last. Dat is het leukste deel. Ik denk dat veel niet-schrijvers zich nauwelijks realiseren hoeveel tijd er kan gaan zitten in een detail dat voor een lezer volledig onzichtbaar blijft.
Neem kleding. Voor veel mensen draagt een personage gewoon een jas. Voor mij bestaat “gewoon een jas” niet. Waarom juist die jas? Is hij versleten? Nieuw? Te groot? Te netjes? Heeft iemand hem gekregen? Draagt diegene hem om gezien te worden of juist om liever te verdwijnen in de achtergrond?

In mijn roman De dag dat alles anders werd speelt kleding een belangrijke rol. Niet omdat ik een bijzondere interesse heb in mode, alles behalve zelfs, maar omdat kleding verhalen vertelt. Over identiteit. Over afkomst. Over onzekerheid. Over de manier waarop iemand zichzelf ziet en gezien wil worden. Een personage dat altijd zwart draagt vertelt iets. Een personage dat opvallende kleuren kiest vertelt iets. Een personage dat kleding bewaart die al jaren niet meer past vertelt misschien nog wel meer.

Dat soort dingen fascineren me. Niet omdat ik denk dat alles verborgen symboliek bevat, maar omdat mensen zichzelf voortdurend laten zien in de kleine keuzes die ze maken. En dat is denkwerk. Althans, zo ervaar ik het.
Misschien heeft mijn vriend gelijk dat het eerste vonkje ergens anders vandaan komt. Misschien komt inspiratie inderdaad uit een plek die zich lastig laat uitleggen. Maar schrijven zelf voelt voor mij als een gesprek tussen intuïtie en denken.

De intuïtie wijst ergens naartoe. Het denken pakt een schep. En vervolgens ga ik graven. Niet omdat ik verdwaald ben of omdat ik controle wil, maar omdat ik nieuwsgierig ben naar wat er onder de oppervlakte ligt. Misschien is dat uiteindelijk de kern van onze discussie. Als mijn vriend het over denken heeft, heeft hij het vaak over het soort denken dat ons gevangen kan zetten. Als ik het over denken heb, heb ik het over het soort denken dat deuren opent. Over nieuwsgierigheid. Over verbanden leggen. Over het plezier van graven naar wat er nog meer onder een idee, een herinnering of een personage verborgen ligt.

We hebben daarom allebei gelijk.
Sommige antwoorden vind je niet door langer na te denken, maar door stil te worden. Door te voelen. Door te vertrouwen op iets dat zich niet laat analyseren.
Maar sommige ontdekkingen doe je juist doordat je een vraag niet meteen loslaat. Doordat je verder kijkt. Nog een laag afpelt. Nog een deur opent.

Misschien zijn voelen en denken veel minder tegenpolen dan we graag geloven. Misschien zijn het gewoon twee manieren om dezelfde wereld te verkennen.
Hoe dan ook zal mijn vriend mij morgen waarschijnlijk opnieuw vertellen dat ik moet stoppen met denken.
En ik zal hem opnieuw uitleggen waarom ik dat een interessante gedachte vind.
Waarna we allebei moeten lachen.

Update:
Inmiddels is er een reactie. Als ik Henk laat lezen wat ik heb geschreven, blijft het een tijdje stil. Dan verschijnt er een berichtje.
“Wat je uit ‘de lucht’ haalt is eigenlijk een vorm van weten.”
Ik zucht.
Verdorie. Daar heeft hij weer een punt.