
Toen de laatste woorden van herinnering waren uitgesproken en de laatste slierten kruidige rook tussen de bomen waren verdwenen, trok de wereld zich langzaam terug in de schemering.
De avond viel niet als een deken van duisternis, maar als een zachte sluier over het bos. Aan de rand van de open plek, waar het gras overging in dicht kreupelhout, zat zij verscholen tussen wilde takken en bloemen. Hier mocht ze even onzichtbaar zijn. Hier hoefde niets van haar gezien te worden.
De bloemen bogen om haar heen alsof ze haar kenden.
In deze groene beschutting waren de dingen die ze had gedaan geen lege gebaren. Ze waren als muren van warme lucht, als fundamenten onder haar voeten. Elke kaars, elke fluistering, iedere naam die door de avond was gedragen, had zijn eigen plaats gevonden.
Steen voor steen was er iets gebouwd voor wat geen handen konden aanraken.
Naast haar, net buiten haar blikveld, hing het kleine lemniscaat.
Het was van brons en herinnering en bewoog zachtjes heen en weer aan zijn dunne draad.
Tik.
Tak.
Stilte.
Het pendelde op het ritme van een diepe ademhaling, alsof zelfs de tijd hier anders liep.
Toen sloeg vlakbij een vogel zijn vleugels uit.
Hij kwam tevoorschijn tussen de bloemen alsof hij daar niet vandaan gevlogen was, maar daaruit was ontkiemd. Veren uit bloemblaadjes, vleugels uit wind.
Hij was geen vreemde.
Hij kende de weg.
Hij was de bewaker van de drempel, de stille boodschapper tussen wat gebleven was en wat was overgegaan.
Voor haar voeten stonden grote paddenstoelen verspreid over de donkere bosgrond. Hun hoeden droegen bleke patronen die leken op oude kaarten van werelden die niemand ooit had betreden.
Onder de grond, waar geen mens keek, waren zij aan het werk.
Want wat doet een mens met liefde die nergens meer naartoe kan?
Liefde verliest haar adres niet wanneer iemand sterft.
Ze blijft.
Ze zakt dieper.
Ze hoopt zich op in het lichaam, zwaar en donker, tot ze soms bijna niet meer te dragen is.
Maar de aarde kende een ander soort tijd. Hier hoefde niets onmiddellijk lichter te worden.
Hier mocht het zware blijven liggen.
De paddenstoelen namen het op. De aarde droeg het verder. Wortels trokken het langzaam naar zich toe en onder het oppervlak begon iets te veranderen. Maar het nam de tijd. Wat scherp was, werd zachter. Wat bitter was, verloor langzaam zijn smaak. Wat eerst alleen maar pijn had gedaan, kreeg ruimte om iets anders te worden.
Dat was niet omdat het verdriet verdween. Het gemis zou blijven. Maar het hoefde niet langer alleen gedragen te worden.
De vrouw bewoog nauwelijks. Met haar ene heldere oog keek ze uit over het bos. Er was geen haast in haar blik. Geen behoefte om iets te bewijzen, geen verlangen om terug te keren naar wie ze ooit geweest was.
Ze zat daar eenvoudigweg.
En voor het eerst in lange tijd voelde ze hoe de grond haar droeg.
Ze was geen bezoeker van dit landschap. Ze hoorde erbij.
Haar ademhaling ging op en neer met de bomen. Haar stilte werd opgenomen door het mos. Onder haar voeten – of waren het inmiddels wortels geworden? – liep de aarde verder.
In de dagen voor deze avond had ze zich vaak afgevraagd hoe een mens moest leven met de dood. De wereld buiten het bos sprak over afsluiten. Over verdergaan. Alsof verdriet een deur was die je op een dag achter je kon dichttrekken.
Maar de natuur kende zulke deuren niet.
Een bloem viel uiteen en werd voedsel voor wat daarna kwam. Een boom die stierf, opende in zijn verval een huis voor mos, zwammen en kleine wezens die in zijn levende jaren nooit binnen hadden kunnen komen.
Niets verdween werkelijk.
Het veranderde van vorm.
Misschien waren ook haar gebaren van die avond daarom geen poging geweest om het verleden vast te houden. Misschien had ze alleen maar een plaats gemaakt waar het mocht blijven.
Een naam.
Een vlam.
Een kring van licht.
Een klein teken dat heen en weer bewoog tussen twee werelden.
Ze had haar verdriet niet weggeduwd. Ze had het neergelegd. En de aarde had het aangenomen.
De vogel sloeg opnieuw met zijn vleugels.
Hij steeg op, niet hoger dan de bloemen, en streek neer op een zware bloemkelk. Even boog de steel onder zijn gewicht. Zijn snavel raakte bijna de hoed van een paddenstoel.
Daar bleef hij zitten. Alsof hij luisterde.
Alsof er onder de grond iets werd gefluisterd wat boven de aarde niet verstaan kon worden.
De vrouw keek toe. En ergens, diep in haar, verschoof iets.
Ze begreep dat afstand niet hetzelfde was als verdwijnen. Dat wie was gegaan niet langer naast haar kon lopen, maar daarom nog niet uit haar wereld was verdwenen. Ze waren verweven geraakt met alles wat verderging.
In de geur van natte aarde.
In het klimop dat zich onvermoeibaar om een stam heen wond.
In het geluid van regen op bladeren.
In een lied dat ze jaren later ineens weer zou herkennen.
In de rust die soms onverwacht neerdaalde wanneer ze ophield met vechten tegen de tijd.
Langzaam sloot ze haar oog. De koelte van de grond trok vanuit haar voeten omhoog. Of waren het wortels? Het verschil deed er niet meer toe.
Ze voelde geen leegte. Ze voelde overvloed.
Alsof alle stemmen die ooit uit haar wereld waren verdwenen, zich hadden teruggetrokken naar een stillere plek in haarzelf. Het was een warmte. Een gloed onder de huid.
De zwaarte was niet verdwenen. Ze was veranderd. Het lood had tijd gekregen.
En ergens, diep onder de aarde, was goud achtergebleven.
Toen ze haar oog weer opende, zag ze tussen de bladeren de bleke volle oogstmaan. Het licht viel in smalle banen over het mos en de bloemen, over de vleugels van de vogel en het kleine bronzen lemniscaat dat nog altijd zachtjes heen en weer bewoog.
Tik.
Tak.
Stilte.
Het bos ademde. Zij ademde mee. En ineens wist ze dat ze nergens meer naartoe hoefde.
Niet terug. Niet vooruit. Alleen hier.
Op de grens tussen donker en licht, tussen herinnering en aanwezigheid, tussen wat was en wat nog zou worden.
In de beschutting van de tussentijd.
Thuis.
Over dit sprookje
Dit sprookje ontstond naar aanleiding van een bijzondere online avond, georganiseerd door Yvonne Vrijhof van Heks en Kruid, in aanloop naar de Moon Challenge, die op 10 oktober van start gaat.
Tijdens deze bijeenkomst stonden de volle oogstmaan, herinnering en het eren van hen die ons zijn voorgegaan centraal. Vanuit onze eigen huiskamers kwamen we samen voor een moment van verstilling en verbinding. Ieder van ons droeg in gedachten één of meerdere overledenen mee, soms nog maar kort geleden overleden, soms al vele jaren geleden. Een kaars werd aangestoken als symbool van herinnering en verbondenheid.
Vanuit al die afzonderlijke lichtjes ontstond, juist doordat we met elkaar verbonden waren, een groter geheel: een koepel van licht, gedragen door de energie van de volle maan.
Die avond zal nog lang bij mij blijven, het was een zeer bijzonder moment. Kort daarna begon ik te tekenen en ontstonden de eerste beelden voor dit sprookje. De symbolen en gebeurtenissen in het verhaal zijn mijn eigen verbeelding; het sprookje is geen letterlijke weergave van de bijeenkomst of het ritueel. Het is mijn persoonlijke, filosofische vertaling van wat deze avond in mij wakker maakte.
Met dank aan Yvonne Vrijhof en aan alle vrouwen die die avond, ieder vanuit hun eigen plek, hun licht hebben laten samenkomen.
Wil jij je ook aanmelden voor de Moon Challenge? Wees er dan snel bij! Ga naar https://www.heksenkruid.info/product/moon-challenge/?v=1a13105b7e4e voor meer informatie.
